ECLI:NL:RBZWB:2025:9753

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
2 december 2025
Publicatiedatum
23 januari 2026
Zaaknummer
RK 25-019344
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Raadkamer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 530 SvArt. 9 lid 2 Wegenverkeerswet 1994
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek op grond van artikel 530 Sv niet-ontvankelijk wegens gecombineerde zaak met deels veroordeling

Verzoeker diende op 23 juli 2025 een verzoek in op grond van artikel 530 van Pro het Wetboek van Strafvordering tot vergoeding van kosten rechtsbijstand en een forfaitaire vergoeding. De procedure vond plaats op 4 november 2025, waarbij de officier van justitie en de advocaat van verzoeker werden gehoord. Verzoeker was niet aanwezig.

De rechtbank stelde vast dat de twee zaken met verschillende parketnummers, waarbij verzoeker in de ene zaak werd vrijgesproken en in de andere veroordeeld tot een taakstraf, ter terechtzitting waren gevoegd. Hierdoor werd het één zaak waarop in één vonnis werd beslist.

Volgens vaste rechtspraak betekent dit dat de zaak niet zonder oplegging van straf of maatregel is geëindigd. Daarom verklaarde de rechtbank verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot vergoeding. Tevens wees de rechtbank het verzoek tot een forfaitaire vergoeding af.

Tegen deze beslissing staat hoger beroep open bij het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch.

Uitkomst: Verzoeker wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot vergoeding omdat de zaak na voeging niet zonder straf eindigde.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats Breda
parketnummer : 96-130594-24
raadkamernummer : 25-019344
datum : 2 december 2025
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het verzoek op grond van artikel 530 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[verzoeker],
geboren op [datum] 1999 te [plaats],
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. Y. Habib, advocaat te Hoofddorp (Kruisweg 643, 2132 NC Hoofddorp),
hierna te noemen: verzoeker.

1.De procedure

De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:
 het op 23 juli 2025 bij de griffie ingediende verzoekschrift dat strekt tot toekenning van een vergoeding
ex artikel 530 Sv Proten laste van de Staat voor een bedrag van:
  • € 2.420,91, voor vergoeding van kosten rechtsbijstand;
  • € 340,00 als forfaitaire vergoeding voor het opstellen en indienen van het verzoekschrift dan wel € 680,00 bij behandeling van het verzoekschrift in raadkamer;
  • de aantekening van het mondelinge vonnis van de politierechter van 5 juni 2025 in de ter terechtzitting gevoegde zaken waarbij verzoeker is vrijgesproken van het onder parketnummer 96-130594-24 ten laste gelegde en is veroordeeld tot een taakstraf van 20 uur voor het onder parketnummer 96-321513-23 ten laste gelegde;
  • de schriftelijke reactie van het Openbaar Ministerie en
  • de overige stukken in het raadkamerdossier.
Op 4 november 2025 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie mr. C.P.G. Tax en mr. Y. Habib als gemachtigd advocaat van verzoeker, gehoord.
Verzoeker is behoorlijk opgeroepen maar niet bij de behandeling van het verzoek verschenen.
Namens verzoeker is verzocht een vergoeding van bovengenoemde schade toe te wijzen. De advocaat van verzoeker heeft in raadkamer in aanvulling op het verzoekschrift aangevoerd dat de urenspecificatie enkel ziet op de werkzaamheden met betrekking tot het feit waarvan verzoeker is vrijgesproken. De zaken zijn ter terechtzitting pas - met instemming van de raadsman - gevoegd. Om praktische redenen is daarom verzocht om vergoeding van de helft van de tijd. Verzoeker verzet zich niet tegen een eventuele matiging van het bedrag.
De officier van justitie heeft gepersisteerd bij de schriftelijke conclusie van het Openbaar Ministerie en zich op het standpunt gesteld dat het verzoek geheel kan worden toegewezen, met name nu de zaken pas ter terechtzitting zijn gevoegd. Zij refereert zich ten aanzien van enige matiging van het bedrag.

2.De beoordeling

Op basis van de aantekening mondeling vonnis van 5 juni 2025 stelt de rechtbank vast dat de afzonderlijk aanhangig gemaakte zaken met parketnummers 96-130594-24 en 96-321513-23 – zoals in raadkamer is gebleken met instemming van de gemachtigde raadsman - ter terechtzitting zijn gevoegd en dat verzoeker door de politierechter is veroordeeld voor het onder parketnummer 96-321513-23 ten laste gelegde en is vrijgesproken van het onder parketnummer 96-130594-24 ten laste gelegde.
In lijn met de vaste rechtspraak van de Hoge Raad [1] is de rechtbank van oordeel dat in het geval dat een onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgehad aan de term ‘zaak’ in artikel 530, eerste en tweede lid Sv de betekenis kan worden toegekend van ‘al datgene waarop het rechtsgeding betrekking had’. De rechtbank ziet geen aanleiding om van deze vaste rechtspraak af te wijken. Door de voeging van de zaken ter terechtzitting is het één zaak geworden, waarop ook in één vonnis is beslist. Tegen deze achtergrond kan niet worden gezegd dat de zaak tegen verzoeker is geëindigd zonder oplegging van een straf of maatregel; hij is immers veroordeeld tot een taakstraf voor een overtreding van artikel 9, lid 2, Wegenverkeerswet 1994 die daarvan onderdeel uitmaakte. De rechtbank zal verzoeker daarom niet-ontvankelijk verklaren in zijn verzoek.
Nu verzoeker niet-ontvankelijk is in zijn verzoek, wijst de rechtbank het verzoek tot het toekennen van een forfaitaire vergoeding voor het indienen en de behandeling van het verzoekschrift in raadkamer af.

3.De beslissing

De rechtbank verklaart de verzoeker niet-ontvankelijk in het verzoek.
Deze beslissing is genomen door mr. M.H.M. Collombon, rechter, in tegenwoordigheid van
mr. S.H.M.R. Chevalier-Verbunt, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 2 december 2025.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen de beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na de dagtekening van de beslissing en door verzoeker binnen een maand na de betekening van deze beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.HR 14 november 1989, NJ 1990/274; HR 8 mei 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1502