ECLI:NL:RBZWB:2025:9669

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
24 december 2025
Publicatiedatum
12 januari 2026
Zaaknummer
11587344 CV EXPL 25-900 (E)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Van Spronssen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontruiming en gebruiksvergoeding woonwagenstandplaats tuin toegewezen

De gemeente Steenbergen vordert ontruiming van een tuin die naast een gehuurde woonwagenstandplaats ligt, omdat de huurders deze tuin zonder recht of titel gebruiken. De huurders stellen dat de tuin onderdeel uitmaakt van de huurovereenkomst sinds 2013 en weigeren de gebruiksovereenkomst voor de tuin te ondertekenen en huur te betalen.

De kantonrechter oordeelt dat uit de huurovereenkomst niet blijkt dat de tuin onderdeel is van het gehuurde. De gemeente is eigenaar van de tuin en heeft slechts mondeling tijdelijke toestemming gegeven voor gebruik. De huurders zijn niet geslaagd in het bewijs dat de tuin gehuurd wordt. Bewijsaanbod en verklaringen over hekwerk en gesprekken over mantelzorgwoning zijn onvoldoende en deels te laat ingebracht.

De kantonrechter wijst de ontruiming toe binnen 14 dagen na betekening, veroordeelt de huurders tot betaling van een gebruiksvergoeding van € 35,77 per maand vanaf 1 juni 2023 tot ontruiming, en tot betaling van proceskosten en wettelijke rente. De gevorderde dwangsom en verklaringen voor recht worden afgewezen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De huurders worden veroordeeld tot ontruiming van de tuin, betaling van gebruiksvergoeding en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Bergen op Zoom
Zaaknummer: 11587344 \ CV EXPL 25-900
Vonnis van 24 december 2025
in de zaak van
GEMEENTE STEENBERGEN,
te Steenbergen ,
eisende partij,
hierna te noemen: de gemeente ,
gemachtigde: mr. J-F. Grégoire ,
tegen

1.[gedaagde 1] ,

te [plaats] ,
2.
[gedaagde 2],
te [plaats] ,
gedaagde partijen,
hierna samen (in vrouwelijk enkelvoud) te noemen: [gedaagden] ,
gemachtigde: mr. I. Stolting .

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit het tussenvonnis van 4 juni 2025 met de daarin genoemde processtukken. Daarnaast heeft de gemeente op 13 november 2025 aanvullende producties ingediend.
1.2.
Op 24 november 2025 is er een mondelinge behandeling gehouden, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. Aan het einde van de zitting heeft de kantonrechter bepaald dat er een vonnis zal worden uitgesproken.

2.De kern van de zaak

2.1.
[gedaagden] huurt sinds 1 november 2013 de woonwagenstandplaats met berging aan [adres] te [plaats] (hierna: het gehuurde) van de gemeente . Het gehuurde is gelegen op een woonwagenlocatie waar zich in totaal negen standplaatsen bevinden. Bij aanvang van de huurovereenkomst was de woonwagenlocatie één kadastraal perceel. In 2023 heeft er een kadastrale inmeting plaatsgevonden van de verschillende standplaatsen zodat die een eigen kadastrale aanduiding hebben. Tussen partijen is een geschil ontstaan over de omvang van het gehuurde. De gemeente stelt dat het gehuurde enkel de standplaats met berging omvat, het perceel met [kadastrale aanduiding 1] (hierna: de standplaats). Terwijl [gedaagden] zich op het standpunt stelt dat de naast de standplaats gelegen strook grond, die [gedaagden] als tuin in gebruik heeft (hierna: de tuin), ook onderdeel uitmaakt van de huurovereenkomst. De tuin betreft [kadastrale aanduiding 2] . Bij brief van 21 maart 2023 heeft de gemeente aan [gedaagden] voorgesteld dat zij de tuin voortaan kon huren voor € 35,77 per maand of dat zij het gebruik van de tuin beëindigd en de tuin teruggeeft aan de gemeente . [gedaagden] heeft de huurovereenkomst voor de tuin, die de gemeente op 31 mei 2023 naar haar heeft gestuurd, niet ondertekend en heeft ook geen huur voor de tuin betaald.
2.2.
De gemeente is deze procedure gestart omdat zij vindt dat [gedaagden] de tuin zonder recht of titel gebruikt. De tuin is het eigendom van de gemeente waar zij over wil beschikken om daar een extra standplaats te creëren. De gemeente wil ontruiming van de tuin door [gedaagden] binnen 14 dagen na het vonnis waarbij de gemeente vraagt om een dwangsom op te leggen die [gedaagden] moet betalen als zij dit niet doet. Ook wil de gemeente dat [gedaagden] hoofdelijk veroordeeld wordt om € 35,77 per maand te betalen met ingang van 1 juni 2023 tot de datum dat [gedaagden] de tuin heeft ontruimd. Dit bedrag is een gebruiksvergoeding voor de tuin en die is gelijk aan de huurprijs die eerder aan [gedaagden] is voorgesteld. Daarnaast vraagt de gemeente een verklaring voor recht dat de tuin geen onderdeel uitmaakt van wat [gedaagden] van de gemeente huurt op grond van de huurovereenkomst en een verklaring voor recht dat [gedaagden] de tuin zonder recht of titel gebruikt. Verder wil de gemeente een vergoeding van de kosten die zij heeft moeten maken voor deze procedure.
2.3.
[gedaagden] is het met de vordering van de gemeente niet eens omdat zij vindt dat de tuin altijd al onderdeel uitmaakt van het gehuurde. Zij wil van de gemeente een vergoeding van de kosten die zij heeft moeten maken voor deze procedure.
2.4.
De kantonrechter zal de vorderingen van de gemeente voor een deel toewijzen. Hierna wordt toegelicht waarom.

3.De beoordeling

3.1.
In de huurovereenkomst die [gedaagden] is aangegaan staat dat de gemeente een woonwagenstandplaats met berging aan haar verhuurt. Daaruit kan de kantonrechter niet afleiden of de tuin onderdeel uitmaakt van de huurovereenkomst. Uit (de tekst van) de huurovereenkomst blijkt namelijk niet wat de omvang is van hetgeen [gedaagden] sinds 1 november 2013 huurt. Vast staat wel dat [gedaagden] de tuin al die tijd in gebruik heeft, maar dat maakt niet dat de tuin ook deel uitmaakt van de huurovereenkomst. De gemeente heeft namelijk aangegeven dat zij aan [gedaagden] mondeling toestemming heeft gegeven om de tuin tijdelijk te gebruiken.
3.2.
Tussen partijen staat vast dat de gemeente eigenaar is van de tuin. [gedaagden] beroept zich op een persoonlijk recht om de tuin te mogen gebruiken, namelijk huur, en op grond waarvan de gemeente verplicht is [gedaagden] toe te laten de tuin te gebruiken. Het is dan aan [gedaagden] om te onderbouwen en zonodig te bewijzen dat de tuin onderdeel uitmaakt van het gehuurde, zoals zij stelt. Hierin is zij niet geslaagd.
3.3.
Dat het hekwerk aan de buitenzijde de grens aanduidt van het gehuurde, zodat de tuin ook onderdeel uitmaakt van het gehuurde en de gemeente dit voor de aanvang van de huurovereenkomst tegen [gedaagden] heeft gezegd, is door de gemeente betwist. [gedaagden] heeft dit verder niet onderbouwd. Daarbij komt dat tijdens de zitting door [gedaagden] is verklaard dat het hekwerk om de hele woonwagenlocatie staat. Daaruit kan dan niet worden afgeleid dat het hekwerk dient als afbakening van de afzonderlijke standplaatsen, maar volgt dat het hekwerk dient ter afbakening van de woonwagenlocatie als geheel. Voor wat betreft het tijdens de zitting door [gedaagden] aangevoerde dat er in 2018/2019 met onder andere de gemeente gesprekken zijn gevoerd over het plaatsen van een mantelzorgwoning in de tuin, voor de zoon van [gedaagden] , geldt dat dit te laat in deze procedure naar voren is gebracht en om die reden in strijd is met de goede procesorde. Daarom wordt hieraan voorbijgegaan. Los daarvan geldt dat gesprekken over een mantelzorgwoning in de tuin niet maken dat de tuin onderdeel uitmaakt van het gehuurde. Niet gebleken is dat de gemeente in die gesprekken daarover uitspraken heeft gedaan.
3.4.
Verder verwijst [gedaagden] naar luchtfoto’s van verschillende jaren waarop volgens haar te zien is dat de tuin ook al eerder dan 2013 in gebruik was en dat daaruit volgt dat de tuin hoort bij het gehuurde. Zoals onder 3.1 is overwogen is het gegeven dat [gedaagden] de tuin in gebruik heeft niet voldoende om te kunnen oordelen dat de tuin ook deel uitmaakt van de huurovereenkomst. Ook het bewijsaanbod dat [gedaagden] heeft gedaan is onvoldoende concreet, zodat daaraan wordt voorbijgegaan. Bovendien ziet het bewijsaanbod alleen op het gebruik van de tuin, maar daar gaat het niet om, [gedaagden] dient te onderbouwen en aan te tonen dat zij de tuin huurt en daarin is zij niet geslaagd. Voor omkering van de bewijslast is geen reden, integendeel gelet op het gegeven dat de standplaatsen op de woonwagenlocatie allemaal nagenoeg dezelfde oppervlakte en tegen nagenoeg dezelfde huurprijs worden verhuurd.
3.5.
Voorgaande betekent dat niet is komen vast te staan dat de tuin onderdeel uitmaakt van de huurovereenkomst, zodat [gedaagden] de tuin zonder recht of titel gebruikt. Daarom wordt de gevorderde ontruiming van de tuin toegewezen. De ontruimingstermijn wordt bepaald op 14 dagen na betekening van het vonnis.
3.6.
De gevorderde dwangsom wordt afgewezen. De gemeente heeft met de toewijzing van de veroordeling tot ontruiming al een titel om zelf tot gedwongen ontruiming over te gaan. Zonder deugdelijke onderbouwing, die ontbreekt, valt niet in te zien op grond waarvan een extra prikkel in de vorm van een op te leggen dwangsom nodig is om [gedaagden] te bewegen tot ontruiming over te gaan.
3.7.
De gevorderde gebruiksvergoeding van € 35,77 per maand met ingang van 1 juni 2023, die niet weersproken is, moet [gedaagden] betalen tot de datum dat de tuin is ontruimd.
3.8.
Het is de kantonrechter niet gebleken dat de gemeente na toewijzing van de ontruiming en de gebruiksvergoeding een zelfstandig belang heeft bij de gevorderde verklaring voor recht dat de tuin geen onderdeel uitmaakt van wat [gedaagden] van de gemeente huurt en de verklaring voor recht dat [gedaagden] de tuin zonder recht of titel gebruikt. Deze vorderingen zullen daarom worden afgewezen.
3.9.
[gedaagden] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de gemeente worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
144,47
- griffierecht
5,00
- salaris gemachtigde
408,00
(2 punten × € 204,00)
- nakosten
102,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
659,47
3.10.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
3.11.
De veroordelingen tot betaling van de gebruiksvergoeding en de proceskosten worden hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
3.12.
Het vonnis zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. Dit betekent dat de gemeente de mogelijkheid krijgt om het vonnis meteen uit te voeren, ook als er hoger beroep wordt ingesteld.

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1.
veroordeelt [gedaagden] het perceel met [kadastrale aanduiding 2] (de tuin) te ontruimen binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis en deze grond ter vrije en
onbelemmerde beschikking te stellen en te laten van de gemeente , zulks onder verwijdering
van eventuele opstallen en/of zich daarop bevindende aan [gedaagden] toebehorende onroerende
en roerende zaken,
4.2.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om aan de gemeente te betalen € 35,77 per maand, een ingegane maand gerekend als een volledige maand, met ingang van 1 juni 2023 tot de datum dat [gedaagden] het perceel met [kadastrale aanduiding 2] (de tuin) zal hebben ontruimd,
4.3.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten waarvan € 659,47 te betalen aan de gemeente binnen 14 dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.4.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen 14 dagen na aanschrijving zijn betaald,
4.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van Spronssen en in het openbaar uitgesproken op 24 december 2025.