In deze zaak heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant op 31 december 2025 uitspraak gedaan in een rekestprocedure tussen een man en een vrouw met betrekking tot de terugbetaling van kinderbijslag en de vaststelling van kinderalimentatie voor hun minderjarige kind. De man verzocht de rechtbank om te bepalen dat de vrouw de kinderbijslag die zij sinds oktober 2023 voor hun kind heeft ontvangen, aan hem moet terugbetalen, en om een maandelijkse onderhoudsbijdrage van € 250,- vast te stellen. De vrouw voerde verweer en stelde dat zij de kinderbijslag rechtmatig had ontvangen, omdat het kind in die periode nog op haar adres stond ingeschreven en zij kosten voor het kind had gemaakt.
De rechtbank overwoog dat de man het kind zonder wettelijke grondslag bij zich had gehouden en dat er geen rechterlijke uitspraak was die de inschrijving van het kind op het adres van de man ondersteunde. Hierdoor kwam de man niet in aanmerking voor de kinderbijslag met terugwerkende kracht. Wat betreft de kinderalimentatie oordeelde de rechtbank dat de vrouw, ondanks haar Wajong-uitkering, een beperkte financiële draagkracht had, maar dat de behoefte van het kind ook in aanmerking moest worden genomen. Uiteindelijk werd de vrouw vrijgesteld van het betalen van kinderalimentatie, omdat haar aandeel in de behoefte van het kind door de zorgkorting werd gecompenseerd.
De rechtbank wees het verzoek van de man af, en de beschikking werd openbaar uitgesproken door rechter M. Struijs, in aanwezigheid van griffier mr. De Wit. De uitspraak biedt inzicht in de afwegingen die de rechtbank maakt bij de beoordeling van verzoeken om kinderbijslag en alimentatie, en benadrukt het belang van wettelijke grondslagen voor de inschrijving van kinderen en de zorgverdeling tussen ouders.