ECLI:NL:RBZWB:2025:9547

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
25 november 2025
Publicatiedatum
8 januari 2026
Zaaknummer
10389191 MB VERZ 23-339
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen verkeersboete wegens onduidelijke gedraging

In deze zaak heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 25 november 2025 uitspraak gedaan in een beroep tegen een verkeersboete die aan betrokkene was opgelegd. De boete was opgelegd voor het verkeerd parkeren van een bromfiets op de Spoorlaan naast de ABN Amro te Tilburg op 12 oktober 2022. Betrokkene heeft tegen de opgelegde boete beroep ingesteld bij de officier van justitie, die het beroep ongegrond verklaarde. Hierop heeft betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.

De zaak is eerder behandeld op 2 mei 2025, maar werd aangehouden om de officier van justitie de gelegenheid te geven een aanvullend proces-verbaal over te leggen. Tijdens de zitting op 25 november 2025 was de zittingsvertegenwoordiger E.J.T. Berkeljon aanwezig, evenals de gemachtigde van betrokkene. De gemachtigde voerde aan dat de gedraging niet had plaatsgevonden en dat de huurperiode van het voertuig niet overeenkwam met het tijdstip van de boete. Hij verwees naar artikel 8 sub b van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) en stelde dat de verhuurder bewijsstukken moest overleggen van de huurder ten tijde van de gedraging.

De kantonrechter oordeelde dat de officier van justitie geen aanvullend proces-verbaal had overgelegd en dat er onvoldoende bewijs was om aan te nemen dat de verweten gedraging had plaatsgevonden. Daarom verklaarde de kantonrechter het beroep gegrond, vernietigde de beslissing van de officier van justitie en droeg deze op om de betaalde zekerheidstelling van € 79,- aan betrokkene terug te betalen. Tevens werd de officier van justitie veroordeeld tot het vergoeden van de proceskosten van betrokkene, die in totaal € 1.230,50 bedroegen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team strafrecht
Zittingsplaats Tilburg
zaaknummer : 10389191 \ MB VERZ 23-339
CJIB-nummer : [CJIB-nummer]
uitspraakdatum : 25 november 2025
proces-verbaal van de zitting en uitspraak op een beroep op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
in de zaak van
naam :
[betrokkene] B.V.
adres : [adres]
woonplaats : [woonplaats]
hierna: betrokkene
gemachtigde : [gemachtigde]

Verloop van de procedure

Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De zaak is eerder behandeld op de zitting van 2 mei 2025. De zaak is toen aangehouden om de zittingsvertegenwoordiger in de gelegenheid te stellen een aanvullend proces-verbaal over te leggen waaruit blijkt dat er op de betreffende plek niet geparkeerd mocht worden. De zaak is vervolgens verder behandeld op de zitting van 25 november 2025. Namens de officier van justitie is verschenen E.J.T. Berkeljon (hierna: zittingsvertegenwoordiger). Gemachtigde is ook verschenen. De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan.

Standpunten

De gedraging waarvoor de boete is opgelegd luidt, kort omschreven: een bromfiets plaatsen op een andere wijze dan is toegestaan op de Spoorlaan naast de ABN Amro te Tilburg op 12 oktober 2022 om 13:13 uur.
Gemachtigde heeft in het beroepschrift samengevat aangevoerd dat de gedraging niet is verricht. Het betreft een parkeerboete. Daarbij is van belang dat de huurperiode en de tijd waarop de boete is opgelegd nooit overeen kunnen komen. Artikel 8 sub b van de Wahv bepaalt dat de verhuurder een huurovereenkomst overlegt waaruit blijkt wie ten tijde van de gedraging de huurder van het voertuig was. De gedraging word verricht op het moment dat het voertuig verkeerd wordt geparkeerd, en niet wanneer de verbalisant de gedraging constateert. Verhuurder levert zodoende bewijsstukken van de huurder aan die het voertuig als laatst heeft gehuurd voor de tijd waarop de boete is opgelegd. Gemachtigde verwijst naar een uitspraak van de rechtbank Amsterdam. Ter zitting heeft gemachtigde aangevoerd dat het op grond van artikel 27 RVV 1990 wel degelijk is toegestaan om een bromfiets op het trottoir te parkeren. Betrokkene kon niet anders dan zijn voertuig op de betreffende plaats parkeren.
Voorts verzoekt gemachtigde een proceskostenvergoeding.
De zittingsvertegenwoordiger heeft verzocht het beroep gegrond te verklaren nu er geen aanvullend proces-verbaal in het geding is gebracht.

Overwegingen

Inhoudelijk
De kantonrechter heeft op de eerste zitting de zaak aangehouden om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen een aanvullend proces-verbaal over te leggen waarin de verbalisant ingaat op het verweer van betrokkene.
Van deze gelegenheid heeft de officier van justitie geen gebruik gemaakt. Gelet hierop bestaat er naar het oordeel van de kantonrechter, gezien de door betrokkene aangevoerde feiten en omstandigheden, onvoldoende grond om ervan uit te gaan dat de verweten gedraging is verricht. Dit betekent dat het beroep gegrond moet worden verklaard en de bestreden beslissing moet worden vernietigd.
Proceskosten
Ook zal de kantonrechter een proceskostenvergoeding toekennen, die als volgt is berekend:
administratief beroepschrift: 1 punt x gewicht 0,5 x € 647,- = € 323,50
beroepschrift kantonrechter: 1 punt x gewicht 0,5 x € 907,- = € 453,50
zitting kantonrechter: 1 punt x gewicht 0,5 x € 907,- =
€ 453,50
€ 1.230,50

Beslissing

De kantonrechter:
‒ verklaart het beroep gegrond;
‒ vernietigt de bestreden beslissing van de officier van justitie en de beschikking waarbij de boete is opgelegd;
‒ draagt de officier van justitie op het bedrag van € 79,- dat betrokkene als zekerheidstelling heeft betaald, aan betrokkene terug te betalen;
‒ veroordeelt de officier van justitie tot het vergoeden van de proceskosten van betrokkene van € 1.230,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.W.M. Speekenbrink, kantonrechter, bijgestaan door de griffier L.I.M. Appels, en in het openbaar uitgesproken op 25 november 2025.
Tegen deze beslissing is geen hoger beroep mogelijk.
Datum verzending: