Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene]
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
In deze zaak heeft de kantonrechter van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 4 december 2025 uitspraak gedaan in een beroep tegen een verkeersboete. Betrokkene had een administratieve sanctie opgelegd gekregen voor het gebruik van een verdrijvingsvlak op de A58 te Roosendaal op 22 mei 2023. Betrokkene heeft tegen de opgelegde boete beroep ingesteld bij de officier van justitie, die het beroep ongegrond verklaarde. Hierop heeft betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
Tijdens de zitting op 4 december 2025 heeft betrokkene verklaard dat zij het verdrijvingsvlak heeft gebruikt om uit te wijken voor een automobilist die haar afsneed. Betrokkene voerde aan dat de boete niet redelijk was gezien de omstandigheden. De zittingsvertegenwoordiger van de officier van justitie, D. van der Teen, heeft het beroep gegrond verklaard en aangevoerd dat er twijfels bestonden over de gedraging, omdat er geen terugkoppeling met de verbalisant had plaatsgevonden.
De kantonrechter heeft overwogen dat niet is komen vast te staan dat de gedraging heeft plaatsgevonden. De verklaring van betrokkene werd als consistent en geloofwaardig beschouwd, terwijl de verklaring van de verbalisant onvoldoende overtuigend was. Daarom heeft de kantonrechter het beroep gegrond verklaard, de beslissing van de officier van justitie vernietigd en bepaald dat het bedrag van € 234,- dat betrokkene als zekerheid heeft betaald, door de officier van justitie moet worden terugbetaald. Tegen deze beslissing is geen hoger beroep mogelijk.