ECLI:NL:RBZWB:2025:9502

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
30 december 2025
Publicatiedatum
6 januari 2026
Zaaknummer
C/02/441727 KG ZA 25-589
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
  • Bollen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opgelegde gebieds- en contactverbod moeder met minderjarige wegens onaangekondigde confrontaties

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde een kort geding waarin de vader een gebieds- en contactverbod vorderde tegen de moeder van hun minderjarige kind. De moeder had het kind meerdere malen onaangekondigd geconfronteerd, onder meer op school en bij de woning van de vader, wat leidde tot angst en onveiligheidsgevoelens bij het kind.

De vader stelde dat de moeder vanwege haar psychische gesteldheid en drugsgebruik niet in staat was het belang van het kind te waarborgen. De moeder ontkende de ernst van de situatie en betwistte enkele incidenten, terwijl zij tevens stelde dat het verbod te ruim en langdurig was.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het onaangekondigd contact buiten de geldende contactregeling ernstig nadeel oplevert voor het kind, dat behoefte heeft aan rust, voorspelbaarheid en veiligheid. Daarom werd het gebieds- en contactverbod toegewezen met uitzonderingen voor afspraken met hulpverlening en contact volgens een rechterlijke of overeengekomen regeling. De duur werd beperkt tot twaalf maanden en een dwangsom werd opgelegd om naleving af te dwingen.

Het vonnis beoogt het belang van het kind te beschermen en de verstoorde situatie tussen ouders te reguleren, zonder het recht van de moeder op contact volledig te ontzeggen.

Uitkomst: Moeder krijgt een gebieds- en contactverbod met de minderjarige voor twaalf maanden met uitzonderingen voor hulpverlening en contactregeling.

Uitspraak

RECHTBANK Zeeland-West-Brabant

Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummer: C/02/441727 / KG ZA 25-589
Vonnis in kort geding van 30 december 2025
in de zaak van
[de man],
wonende te [woonplaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. A.G. Ouwejan te Utrecht,
tegen
[de vrouw],
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. J.M. Molkenboer te Tilburg .
Partijen zullen hierna de man en de vrouw genoemd worden.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding met producties;
  • de conclusie van antwoord met producties.
1.2.
De zaak is besproken op de zitting van 22 december 2025. Bij die gelegenheid zijn partijen, bijgestaan door hun advocaat, verschenen. Met instemming van de man heeft een hulpverlener van de vrouw, werkzaam bij [hulpverlener], de zitting als toehoorder bijgewoond.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Tussen partijen staat het volgende vast:
  • zij hebben een affectieve relatie met elkaar gehad, welke inmiddels is beëindigd;
  • zij zijn de ouders van het volgende nog minderjarige kind:
  • zij zijn gezamenlijk belast met het gezag over [minderjarige] ;
  • [minderjarige] verbleef aanvankelijk bij de vrouw. Op 6 november 2024 zijn partijen, in het kader van een kort gedingprocedure bij de Rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, overeengekomen dat [minderjarige] voorlopig bij de man verblijft. Ook zijn partijen een door familie begeleide zorgregeling tussen de vrouw en [minderjarige] overeengekomen;
  • bij vonnis in kort geding van deze rechtbank van 25 juli 2025 is aan de man vervangende toestemming verleend om [minderjarige] in te schrijven op een basisschool in [woonplaats 1] , voor aanmelding van [minderjarige] bij hulpverlening, voor een vakantie en voor het laten afgeven van zijn identiteitsbewijs. Ook is een voorlopige zorgregeling tussen de vrouw en [minderjarige] bepaald onder begeleiding van [jeugdhulpverlening] , dan wel een door hen aan te wijzen jeugdhulpverleningsinstantie;
  • Op 3 december 2025 is een verzoek van de vrouw tot vaststelling van een zorgregeling tussen haar en [minderjarige] en het zelfstandige verzoek van de man tot eenhoofdig gezag behandeld door de Rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht. De beschikking in die zaak wordt in januari 2026 verwacht.

3.Het geschil

3.1.
De man vordert – samengevat:
  • de vrouw te verbieden zich te bevinden in de bebouwde kom van [woonplaats 1], waarvan uitgezonderd het passeren via de Rijksweg A2 en het gebruik van het NS-station [woonplaats 1] ten behoeve van doorreis, en het [recreatiepark] , voor twee jaar;
  • een onmiddellijk contactverbod voor de vrouw ten aanzien van de minderjarige [minderjarige] , inhoudende dat het de vrouw verboden is om direct of indirect contact te zoeken, te hebben of te onderhouden met [minderjarige] , behoudens voor zover toegestaan door de man, dan wel een hulpverlenende instantie;
  • zowel het gebiedsverbod als het contactverbod op straffe van een dwangsom van € 500,= per overtreding, met een maximum van € 10.000,=.

4.De beoordeling

4.1.
De man legt aan zijn vorderingen het volgende ten grondslag. Sinds de coronaperiode zijn er zorgen ontstaan over het welzijn van de vrouw ten gevolge van drugsgebruik. Het was niet langer verantwoord om [minderjarige] bij de vrouw te laten verblijven, met als gevolg dat hij sinds 8 september 2024 bij de man verblijft. Door de woningbouwvereniging, de huisarts van de vrouw en de school van [minderjarige] zijn er zorgmeldingen gedaan bij Veilig Thuis, maar de vrouw weigert hulp te accepteren. De situatie van de vrouw is nog niet veranderd. De vrouw houdt zich niet aan de veiligheidsvoorwaarden en bijbehorende afspraken en lijkt nog steeds psychotisch. De [jeugdhulpverlening] heeft ten behoeve van een monitorgesprek met Veilig Thuis de bevindingen van het begeleide contact tussen de vrouw en [minderjarige] van de afgelopen periode uiteen gezet. Dit contact verloopt problematisch en de hulpverlening adviseert op dit moment geen contact meer te laten plaatsvinden. Als voorwaarde voor contact geeft de hulpverlening aan dat er zicht moet komen op de psychische gesteldheid van de vrouw en dat ze meewerkt aan hulp vanuit de GGZ. De vrouw is [minderjarige] in het afgelopen jaar inmiddels echter meermaals onaangekondigd komen opzoeken. Zo is zij op de school van [minderjarige] verschenen, bij het zwembad en bij de ouders van de man waar [minderjarige] toen was. Bij het bezoek van de vrouw op school, eind oktober 2025, is zij de klas van [minderjarige] ingegaan en heeft zij geroepen dat ze [minderjarige] met zich zou meenemen. De politie moest ter plaatse komen om de vrouw te bewegen de school te verlaten. De klas heeft via een nooduitgang de school moeten verlaten. Dit incident heeft een aanzienlijke impact op [minderjarige] gehad. De school heeft naar aanleiding van dit incident de vrouw tot eind mei 2026 verboden om de school te betreden. Op Sinterklaasavond heeft de vrouw hard op het raam van de slaapkamer van [minderjarige] gebonkt en cadeaus vergezeld van briefjes met vreemde teksten achtergelaten. Naar aanleiding van dit incident durft [minderjarige] niet meer op zijn eigen slaapkamer de nacht door te brengen. [minderjarige] is door alle onaangekondigde bezoeken zeer angstig geworden en durft niet alleen naar buiten te gaan om daar te spelen of vriendjes op te zoeken. [minderjarige] heeft de leeftijd om alleen naar school te lopen, maar ook dat is nu geen optie, omdat hij bang is dat hij de vrouw tegenkomt. Hij zou volgens de man een onbezorgde jeugd moeten hebben en zich vrij moeten kunnen bewegen in zijn dorp, maar dat is door toedoen van de vrouw nu niet aan de orde. Gelet op de incidenten in de afgelopen periode en de heftigheid van de problematiek, wordt een termijn van twee jaar gevorderd voor het gebieds- en contactverbod.
4.2.
De vrouw voert verweer tegen de vorderingen. Zij heeft in dat kader aangevoerd dat er de afgelopen periode weliswaar incidenten hebben plaatsgevonden, maar dat deze niet een gebieds- en/of contactverbod rechtvaardigen. Sinds augustus 2024 heeft zij geen fysiek contact meer met [minderjarige] heeft gehad, wat de vrouw onterecht vindt en wat haar erg frustreert. Ze heeft immers zeven jaar lang als hoofdverzorgende ouder voor [minderjarige] gezorgd. Het begeleide contact tussen haar en [minderjarige] wordt steeds uitgesteld. Ook verspreidt de man en zijn familie volgens de vrouw alleen maar leugens. Dit, terwijl het beter met de vrouw gaat en zij hulpverlening vanuit [hulpverlener] ontvangt. De vrouw betwist dat zij degene is geweest die op Sinterklaasavond bij de woning van [minderjarige] en de man is geweest; zij heeft wel aan anderen gevraagd om namens haar daarnaar toe te gaan om cadeaus achter te laten.
Ten aanzien van het gebiedsverbod geldt volgens de vrouw dat deze te ruim is geformuleerd en moet worden beperkt tot het absolute minimum. De school van [minderjarige] en zijn verblijfadres liggen in dezelfde straat, zodat het gebiedsverbod tot die straat (en eventueel tot het [recreatiepark] ) beperkt dient te worden. Het gebiedsverbod dat de vrouw van de school heeft gekregen is bovendien maar geldig tot mei 2026. De duur van het gevorderde gebiedsverbod moet daarom ook worden beperkt tot zes maanden. In een periode van twee jaar, zoals door de man is gevorderd, kan veel gebeuren en het is niet uitgesloten dat de situatie zal verbeteren. Anderhalf jaar geleden verbleef [minderjarige] namelijk nog bij de vrouw.
Ten aanzien van het gevorderde contactverbod is de vrouw van mening dat deze ook ruimer is gevorderd dan noodzakelijk is. Het zou de vrouw niet verboden moeten worden om indirect contact te zoeken met [minderjarige] , zodat het verbod in ieder geval moet worden beperkt tot direct contact. Het gevorderde contactverbod kan bovendien in de weg staan aan de uitspraak in de bodemprocedure, waarin de vrouw vaststelling van een zorgregeling heeft verzocht en waarvan in januari 2026 de uitspraak volgt. Indien het contactverbod toch wordt toegewezen, moet de termijn in ieder geval worden beperkt tot zes maanden.
Tot slot dient de gevorderde (maximum) dwangsom te worden gehalveerd, gelet op de financiële situatie van de vrouw. De dwangsom is bovendien pas verschuldigd na betekening van het vonnis aan de vrouw.
4.3.
Een gebieds- dan wel contactverbod zoals de man vordert, is een ingrijpende maatregel die inbreuk maakt op het recht op persoonlijke vrijheid, waaronder begrepen het recht dat iedereen heeft om zich vrij te verplaatsen. Dergelijke verboden kunnen alleen worden toegewezen als sprake is van ernstig onrechtmatig handelen en van concreet gevaar voor herhaling daarvan. De voorzieningenrechter moet vervolgens alle relevante omstandigheden van het geval in aanmerking nemen en de betrokken belangen van partijen afwegen om te beoordelen of dergelijke verboden, zoals gevorderd, kunnen worden gerechtvaardigd. Het is daarbij aan de man om dat gevaar voor herhaling aannemelijk te maken.
4.4.
De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Er geldt momenteel een contactregeling op grond waarvan de vrouw uitsluitend onder de regie van de jeugdhulpverlening gerechtigd is tot contact met [minderjarige] . De voorzieningenrechter acht voldoende aannemelijk geworden dat een onaangekondigd fysiek contact met zijn moeder, buiten de kaders van de geldende contactregeling, voor [minderjarige] ernstig nadeel oplevert. [minderjarige] bevindt zich in een kwetsbare situatie, er is in de afgelopen periode in zijn leven veel verandering en onrust geweest. De vrouw was zeven jaar lang de hoofdverzorgende ouder van [minderjarige] , maar sinds september 2024 wordt hij uitsluitend door zijn vader opgevoed en verzorgd. Vanwege de verhuizing naar zijn vader, moest hij ook naar een andere school. [minderjarige] heeft al anderhalf jaar geen fysiek contact meer met zijn moeder gehad. Er is sprake van een verstoorde verhouding tussen de ouders, waarbij, zo heeft de voorzieningenrechter ter zitting gemerkt, sprake is van veel frustratie en boosheid vanuit de vrouw richting de man, zijn familie en de betrokken hulpverlening. Er is ingezet op contact tussen [minderjarige] en de moeder, waarbij gestart is met (video)belcontacten, maar na het incident op de basisschool zijn die contacten stilgelegd. Door de begeleider(s) van de (video)belcontacten is waargenomen dat het de vrouw niet altijd lukt om op een voor [minderjarige] onbelaste manier invulling te geven aan de contacten. Haar frustratie over de gang van zaken kan zij niet altijd bij [minderjarige] weghouden. Het moet voor [minderjarige] , een jongetje van acht jaar, een ontzettend verwarrende en ingewikkelde situatie zijn. Daar komt bij dat hij in de afgelopen maanden meermaals onaangekondigd is geconfronteerd met zijn moeder. Zijn moeder heeft hem op 28 oktober 2025 geconfronteerd op een plek waar hij zich veilig zou moeten voelen: zijn basisschool. Daarbij is de politie bovendien ter plaatse moeten komen, omdat de vrouw niet vrijwillig vertrok. Dat werd gevolgd door een incident in december waarbij door de vrouw, althans door iemand in haar opdracht, onaangekondigd op het raam van [minderjarige] werd gebonkt en cadeaus met voor [minderjarige] onbegrijpelijke berichten achter heeft gelaten. Hoewel het voorval plaatsvond op Sinterklaasavond, kan de voorzieningenrechter zich voorstellen, in het licht van de eerdere voorvallen, dat dit tot grote angst bij [minderjarige] heeft geleid. Juist gelet op de ingewikkelde situatie waarin [minderjarige] zich bevindt, vergt het belang van [minderjarige] dat hij rust, veiligheid en voorspelbaarheid mag ervaren, en dat hij niet op zijn hoede hoeft te zijn voor de kans dat hij onaangekondigd met zijn moeder geconfronteerd wordt. De vrouw heeft er bovendien geen blijk van gegeven in te zien welk effect dergelijke confrontaties op [minderjarige] hebben. Daarmee acht de voorzieningenrechter de kans op herhaling aanzienlijk.
Het belang van [minderjarige] om vrijelijk en zonder angst in zijn huidige woonplaats te kunnen verblijven en zich aldaar op straat te kunnen bewegen, prevaleert boven het recht van de vrouw om zich vrij te verplaatsen. De voorzieningenrechter neemt daarbij in aanmerking dat niet is gebleken van een belang of noodzaak voor de vrouw om zich in de bebouwde kom van [woonplaats 1] en/of op [recreatiepark] te bevinden, behalve als dat nodig is in verband met de voor [minderjarige] ingeschakelde jeugdhulpverlening of voor de uitvoering van een (begeleide) contactregeling. Hiervoor zal de voorzieningenrechter dan ook een uitzondering maken. Dat betekent dat het verzochte gebiedsverbod zal worden toegewezen, met dien verstande dat een uitzondering op het gebiedsverbod geldt voor situaties waarbij de vrouw (aantoonbaar) fysiek aanwezig moet zijn voor een afspraak met de jeugdhulpverlening aldaar, dan wel voor een fysiek contactmoment met [minderjarige] aldaar op grond van een door de rechter bepaalde of in onderling overleg overeengekomen contactregeling, waarbij ook rekening wordt gehouden met reistijd van 20 minuten voor en na de betreffende afspraak. Het gebiedsverbod strekt er niet toe om de vrouw het recht op contact met [minderjarige] te ontnemen voor zover een rechter of partijen zelf dit contact in het belang van [minderjarige] achten. Ook wordt de duur van het gebiedsverbod beperkt tot een periode van twaalf maanden, gelet op de eisen van proportionaliteit.
4.5.
Ook het verzochte contactverbod zal worden toegewezen, met dien verstande dat ook hier een uitzondering geldt voor situaties waarbij de vrouw op grond van een door een rechter vastgestelde of in onderling overleg overeengekomen (voorlopige) contactregeling recht heeft op contact met [minderjarige] . Uit de overgelegde stukken en dat wat op de zitting is besproken, is het de voorzieningenrechter gebleken dat de vrouw er niet voor schroomt om middelen in te zetten om buiten het kader van de geldende contactregeling – ook op indirecte wijze – in het leven van [minderjarige] te komen en om een vorm van contact met hem te zoeken. De voorzieningenrechter acht het, zoals gezegd, echter in het belang van [minderjarige] dat hij rust, voorspelbaarheid en veiligheid mag ervaren. Het onaangekondigd direct of indirect contact zoeken met [minderjarige] buiten het door een rechter of partijen zelf afgesproken kader om, vormt bovendien een belemmering in het traject dat door de hulpverlening wordt ingezet en dat is gericht op contactherstel. Ook dat acht de voorzieningenrechter niet in het belang van [minderjarige] . De duur van het contactverbod wordt, gelet op de eisen van proportionaliteit, eveneens beperkt tot een periode van twaalf maanden.
4.6.
De maatregelen in kort geding strekken dus niet verder dan te voorkomen dat er buiten het kader van een in rechte vastgestelde of (al dan niet met behulp van de jeugdhulpverlening) overeengekomen (voorlopige) contactregeling direct of indirect, fysiek of anderszins, contact tussen de vrouw en [minderjarige] plaatsvindt.
4.7.
Tot slot zal, zoals gevorderd, een dwangsom worden verbonden aan de verboden, als stimulans tot nakoming van de beslissing. De dwangsom zal wel worden beperkt tot € 250,= per overtreding, met een maximum van € 5.000,=, gelet op de niet weersproken stelling van de vrouw over haar financiële situatie.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
verbiedt de vrouw om zich, na betekening van dit vonnis, gedurende een periode van twaalf maanden te bevinden binnen de bebouwde kom van [woonplaats 1] (waarvan uitgezonderd het passeren via de Rijksweg A2 en het gebruik van het NS-station [woonplaats 1] ten behoeve van een doorreis) en op het [recreatiepark] , behalve:
- voor de duur van een afspraak met de bij [minderjarige] (geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2017) betrokken (jeugd)hulpverlening aldaar, voor de duur van de afspraak, alsmede 20 minuten voor en 20 minuten na die afspraak;
en:
- voor de duur van een fysiek contactmoment met [minderjarige] aldaar uit hoofde van een:
- een door de rechter vastgestelde, of:
- een (al dan niet in overleg met de bij [minderjarige] betrokken jeugdhulpverlening) overeengekomen (voorlopige) contactregeling, alsmede 20 minuten voor en 20 minuten na dat contactmoment;
5.2.
verbiedt de vrouw om, na betekening van dit vonnis, gedurende een periode van twaalf maanden op welke wijze dan ook, direct of indirect, contact te zoeken, te hebben of te onderhouden met de minderjarige [minderjarige] , behalve voor zover het de vrouw op grond van door de rechter vastgestelde of (al dan niet in overleg met de bij [minderjarige] betrokken jeugdhulpverlening) overeengekomen (voorlopige) contactregeling is toegestaan contact met [minderjarige] te hebben;
5.3.
veroordeelt de vrouw om aan de man een dwangsom te betalen van € 250,00 per keer dat zij een van de onder 5.1 en 5.2 genoemde verboden overtreedt, tot een maximum van € 5.000,00 is bereikt;
5.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Bollen en in het openbaar bij vervroeging uitgesproken op 30 december 2025.