De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde een kort geding waarin de vader een gebieds- en contactverbod vorderde tegen de moeder van hun minderjarige kind. De moeder had het kind meerdere malen onaangekondigd geconfronteerd, onder meer op school en bij de woning van de vader, wat leidde tot angst en onveiligheidsgevoelens bij het kind.
De vader stelde dat de moeder vanwege haar psychische gesteldheid en drugsgebruik niet in staat was het belang van het kind te waarborgen. De moeder ontkende de ernst van de situatie en betwistte enkele incidenten, terwijl zij tevens stelde dat het verbod te ruim en langdurig was.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het onaangekondigd contact buiten de geldende contactregeling ernstig nadeel oplevert voor het kind, dat behoefte heeft aan rust, voorspelbaarheid en veiligheid. Daarom werd het gebieds- en contactverbod toegewezen met uitzonderingen voor afspraken met hulpverlening en contact volgens een rechterlijke of overeengekomen regeling. De duur werd beperkt tot twaalf maanden en een dwangsom werd opgelegd om naleving af te dwingen.
Het vonnis beoogt het belang van het kind te beschermen en de verstoorde situatie tussen ouders te reguleren, zonder het recht van de moeder op contact volledig te ontzeggen.