ECLI:NL:RBZWB:2025:9459

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
23 december 2025
Publicatiedatum
5 januari 2026
Zaaknummer
25/2195
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag kinderbijslag en co-ouderschap in bestuursrechtelijke context

In deze uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 23 december 2025, wordt het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag om kinderbijslag beoordeeld. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) had in een besluit van 9 december 2024 bepaald dat de ex-partner van eiser de aanvrager van kinderbijslag blijft en dat de kinderbijslag voor hun dochter volledig aan haar moet worden betaald. Eiser had bezwaar gemaakt tegen dit besluit, maar de Svb verklaarde zijn bezwaarschrift ongegrond in een besluit van 13 maart 2024. De rechtbank heeft het beroep op 12 november 2025 behandeld, waarbij eiser werd bijgestaan door zijn gemachtigde, mr. F. Ergec, en de Svb werd vertegenwoordigd door mr. P. Stahl-de Bruin.

De rechtbank oordeelt dat de Svb ten onrechte heeft bepaald dat eiser geen recht heeft op uitbetaling van kinderbijslag over het tweede en derde kwartaal van 2024. De rechtbank stelt vast dat eiser en zijn ex-partner gezamenlijk het gezag over hun dochter uitoefenen en dat er sprake is van co-ouderschap. De rechtbank volgt de Svb niet in haar standpunt dat de ex-partner de volledige kinderbijslag moet ontvangen, enkel omdat eiser kinderalimentatie betaalt. De rechtbank concludeert dat de Svb de afwijzing van de aanvraag van eiser moet heroverwegen en een nieuw besluit moet nemen, waarbij rekening wordt gehouden met de uitspraak van de rechtbank.

De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit en draagt de Svb op om binnen zes weken een nieuw besluit te nemen. Tevens wordt de Svb veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten van eiser, die in totaal € 1.814,- bedragen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/2195 AKW

uitspraak van 23 december 2025 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser,

gemachtigde: mr. F. Ergec,
en

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, de Svb

Als derde-partij neemt aan het geding deel:
[ex-partner], uit [woonplaats] (ex-partner).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank eisers beroep over de afwijzing van zijn aanvraag om kinderbijslag.
1.1.
De Svb heeft in een besluit van 9 december 2024 (primair besluit) bepaald dat eisers ex-partner de aanvrager van kinderbijslag blijft, en dat de kinderbijslag voor eisers dochter volledig aan haar moet worden betaald.
1.2.
De Svb heeft in het bestreden besluit van 13 maart 2024 eisers bezwaarschrift tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. De Svb heeft bepaald dat eiser vanaf het tweede kwartaal van 2024 geen recht heeft op de helft van de betreffende kinderbijslag.
1.3.
De Svb heeft op eisers beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 12 november 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De Svb werd vertegenwoordigd door mr. P. Stahl-de Bruin.

Overwegingen

Relevante feiten en omstandigheden
2. Eiser en zijn ex-partner hebben een relatie gehad waaruit op 27 juli 2017 een dochter ([dochter]) is geboren. Partijen oefenen gezamenlijk het gezag over haar uit. In een beschikking van deze rechtbank van 9 februari 2023 is de hoogte van de kinderalimentatie die eiser aan zijn ex-partner moet betalen voor [dochter] met ingang van 1 mei 2022 gewijzigd. Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft bij beschikking van 30 november 2023 de beschikking van de rechtbank vernietigd, doch slechts voor zover die betrekking had op de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken.
2.1.
Op 5 november 2024 heeft eiser bij de Svb een aanvraag voor kinderbijslag ingediend. De Svb is naar aanleiding hiervan overgegaan tot de besluitvorming die is weergegeven in de inleiding.
Het standpunt van de Svb in het bestreden besluit
3. Volgens de Svb heeft eiser geen recht op uitbetaling van kinderbijslag over het tweede en derde kwartaal van 2024, omdat hij zijn aanvraag pas in de tweede maand van het vierde kwartaal van 2024 heeft ingediend.
Met betrekking tot de periode vanaf het vierde kwartaal van 2024 stelt de Svb dat uit de beschikking van deze rechtbank van 9 februari 2023 volgt dat de ex-partner de volledige kinderbijslag voor [dochter] moet ontvangen. Uit die uitspraak blijkt namelijk dat bij de
alimentatieberekening rekening is gehouden met het feit dat de andere ouder kindgebonden budget ontvangt. Eiser moet daarnaast kinderalimentatie betalen aan de andere ouder. De Svb neemt hierdoor aan dat de andere ouder eveneens verantwoordelijk is voor de verblijfsoverstijgende kosten voor [dochter] en dus de volledige kinderbijslag moet ontvangen.
Eisers standpunt
4. Eiser voert aan dat sprake is van co-ouderschap, wat volgens hem blijkt uit de uitspraak van het gerechtshof. Hij stelt verder dat het voor hem niet mogelijk was om eerder een aanvraag om (de helft van) de kinderbijslag in te dienen. Volgens eiser kan de Svb zich niet baseren op de kinderalimentatieberekening, omdat tussen partijen sprake is van een gelijke zorgverdeling. De beschikking ziet enkel op de betaling van kinderalimentatie, en niet op de ontvangst van kinderbijslag. Bovendien heeft de alimentatieberekening betrekking op een verouderde situatie, zodat deze niet kan dienen als grondslag voor de afwijzing van de kinderbijslag.
De periode van het tweede en derde kwartaal van 2024
5. De rechtbank volgt de Svb in haar standpunt dat eiser geen recht heeft op uitbetaling van kinderbijslag over het tweede en derde kwartaal van 2024. Dit volgt uit artikel 18, zesde lid, van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW). Daarin staat het navolgende:
Zolang de persoon aan wie op grond van het vierde of vijfde lid kinderbijslag zou moeten worden betaald geen aanvraag daartoe heeft ingediend, blijft de kinderbijslag, in afwijking van het vierde en vijfde lid, betaald worden aan de persoon die daartoe wel een aanvraag heeft ingediend. Indien de persoon die geen aanvraag heeft ingediend, alsnog een aanvraag indient, wordt de kinderbijslag aan die persoon betaald:
a.
na afloop van het kalenderkwartaal waarin de aanvraag is ingediend, indien deze is ingediend in de eerste twee maanden van dat kalenderkwartaal; of
na afloop van het kalenderkwartaal volgend op het kalenderkwartaal waarin de aanvraag is ingediend, indien deze is ingediend in de laatste maand van dat kalenderkwartaal.
Kort gezegd volgt hieruit dat de uitbetaling van de kinderbijslag niet met terugwerkende kracht kan worden gewijzigd. Is de aanvraag – zoals hier – in de tweede maand van het vierde kwartaal van 2024 ingediend, dan heeft dat pas effect vanaf het vierde kwartaal van 2024 (waarbij geldt dat kinderbijslag altijd pas na afloop van het betreffende kwartaal wordt uitbetaald). In eisers enkele niet-onderbouwde stelling dat het voor hem niet mogelijk was om eerder een verzoek in te dienen, ziet de rechtbank geen aanleiding om te oordelen dat de Svb had moeten afwijken van deze imperatief (dwingend) geformuleerde wettelijke bepaling.
De periode vanaf het vierde kwartaal van 2024
6.1.
Verzekerden voor de AKW hebben recht op kinderbijslag voor kinderen jonger dan achttien jaar die tot hun huishouden behoren of door hen worden onderhouden. Veelal hebben kinderen twee voor de AKW verzekerde ouders en hebben de twee ouders over dezelfde tijdvakken recht op kinderbijslag voor dezelfde kinderen. Hun rechten op kinderbijslag lopen dan samen. Dit leidt niet tot een dubbel recht op uitbetaling van kinderbijslag. Op grond van de samenloopbepalingen die zijn opgenomen in de AKW en het Besluit uitvoering kinderbijslag (BUK), wordt over hetzelfde tijdvak per kind slechts éénmaal kinderbijslag uitbetaald. Meestal moet de Svb de kinderbijslag volledig uitbetalen aan één van beide ouders. Soms is een gesplitste uitbetaling aan de orde.
6.2.
Voor gevallen waarin een kind behoort tot de huishoudens van twee verzekerde ouders die geen gezamenlijke huishouding voeren, is – op grond van artikel 18, zevende lid, van de AKW – een aanvullende regeling getroffen in artikel 10 van het BUK. Hierin staat dat als twee personen die recht hebben op kinderbijslag voor eenzelfde kind, dit kind op basis van een overeenkomst of rechterlijke beschikking overwegend in gelijke mate verzorgen en onderhouden zonder met elkaar een gemeenschappelijke huishouding te voeren, tenzij in de overeenkomst anders is overeengekomen of in de rechterlijke beschikking anders is bepaald, het recht van één van deze personen op de kinderbijslag gelijk verdeeld wordt uitbetaald aan beide verzekerden en het recht van de andere persoon niet wordt uitbetaald.
6.3.
De beleidsregel Kinderbijslagbetaling bij gescheiden huishoudens, echtscheiding en co-ouderschap (SB1096) bevat het beleid van de Svb met betrekking tot de uitbetaling van kinderbijslag in geval van gescheiden huishoudens. In dit beleid is onder meer het volgende opgenomen:
"(…) Op grond van artikel 10, eerste lid Besluit uitvoering kinderbijslag is sprake van co-ouderschap als beide ouders een kind op basis van een overeenkomst of rechterlijke uitspraak overwegend in gelijke mate verzorgen en onderhouden. De SVB legt deze voorwaarde als volgt uit. Ouders verzorgen hun kind overwegend in gelijke mate als het kind ongeveer even veel nachten bij hen doorbrengt. Ouders onderhouden hun kind overwegend in gelijke mate als sprake is van kinderalimentatie. Als geen kinderalimentatie is vastgesteld, neemt de SVB aan dat het onderhoud op dezelfde wijze is verdeeld als de verzorging. De SVB gaat hierbij uit van de overeenkomst of rechterlijke uitspraak. Als de feitelijke situatie hiervan afwijkt, kijkt de SVB alleen hiernaar als deze situatie een bestendig karakter heeft. In het algemeen is hiervan sprake als de ouders de overeenkomst of rechterlijke uitspraak langer dan zes maanden niet naleven. In gevallen waarin het niet mogelijk is de feitelijke situatie vast te stellen, gaat de SVB alsnog uit van de in de overeenkomst opgenomen regeling. Als in de overeenkomst of rechterlijke uitspraak geen verdeling van de kinderbijslag is overeengekomen, dan betaalt de SVB de kinderbijslag waarop één van beide ouders recht heeft in gelijke mate uit aan beide ouders. De kinderbijslag waarop de andere ouder recht heeft, betaalt de SVB in dat geval niet uit."
7.1.
De rechtbank moet beoordelen of de Svb terecht heeft bepaald dat het recht op kinderbijslag vanaf het vierde kwartaal van 2024 volledig moet worden uitbetaald aan de ex-partner. Niet in geschil is dat eiser en de ex-partner (vanaf 1 april 2024) [dochter] in gelijke mate verzorgen. Ter beoordeling staat of zij haar ook in gelijke mate onderhouden.
7.2.
De rechtbank volgt de Svb niet in haar standpunt dat de ex-partner de volledige kinderbijslag moet ontvangen omdat zij kinderalimentatie van eiser ontvangt (en dus verantwoordelijk zou zijn voor de verblijfsoverstijgende kosten voor [dochter], aldus de Svb). Het feit dat eiser kinderalimentatie moet betalen, duidt er – gelet op het hiervoor geciteerde beleid van de Svb – juist op dat beide ouders [dochter] in gelijke mate onderhouden. In beginsel betekent dat dus dat eiser recht heeft op uitbetaling van de helft van de kinderalimentatie. Dat is slechts anders als partijen daar andere afspraken over hebben gemaakt of als daarover iets anders is bepaald in de rechterlijke beschikking.
7.3.
Noch in de beschikking van deze rechtbank van 9 februari 2023, noch in die van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 30 november 2023 is iets bepaald over het recht op kinderbijslag en/of de uitbetaling daarvan. Eiser en de ex-partner hebben daar blijkens de dossierstukken ook geen (andere) afspraken over gemaakt. Aan de omstandigheid dat er in een draagkrachtberekening die namens eiser is overgelegd in de procedure over de kinderalimentatie, vanuit is gegaan dat de ex-partner het kindgebonden budget ontvangt en rechthebbende is van de kinderbijslag, kan niet de conclusie worden verbonden dat daar (wel) afspraken over zijn gemaakt en/of dat daarover in de rechterlijke beslissing iets is bepaald.
7.4.
Gelet op het voorgaande oordeelt de rechtbank dat de door de Svb gehanteerde afwijzingsgrond voor de periode vanaf het vierde kwartaal van 2024 geen stand kan houden.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De Svb zal worden opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.
9. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, dient de Svb het door eiser betaalde griffierecht van € 53,- aan hem te vergoeden. Eiser krijgt ook een vergoeding voor zijn proceskosten. De Svb moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 907,-. Omdat de zaak een gemiddeld van gewicht is, is op deze waarde de factor 1 toegepast. Dit betekent dat een bedrag van € 1.814,- voor vergoeding in aanmerking komt.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt de Svb op om binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat de Svb het betaalde griffierecht van € 53,- aan eiser dient te vergoeden;
- veroordeelt de Svb tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Ponds, rechter, in aanwezigheid van mr. M.I.P. Buteijn, griffier op 23 december 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De griffier is niet in staat deze
uitspraak mede te ondertekenen
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via "Formulieren en inloggen" op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.