2.1.Op 5 november 2024 heeft eiser bij de Svb een aanvraag voor kinderbijslag ingediend. De Svb is naar aanleiding hiervan overgegaan tot de besluitvorming die is weergegeven in de inleiding.
Het standpunt van de Svb in het bestreden besluit
3. Volgens de Svb heeft eiser geen recht op uitbetaling van kinderbijslag over het tweede en derde kwartaal van 2024, omdat hij zijn aanvraag pas in de tweede maand van het vierde kwartaal van 2024 heeft ingediend.
Met betrekking tot de periode vanaf het vierde kwartaal van 2024 stelt de Svb dat uit de beschikking van deze rechtbank van 9 februari 2023 volgt dat de ex-partner de volledige kinderbijslag voor [dochter] moet ontvangen. Uit die uitspraak blijkt namelijk dat bij de
alimentatieberekening rekening is gehouden met het feit dat de andere ouder kindgebonden budget ontvangt. Eiser moet daarnaast kinderalimentatie betalen aan de andere ouder. De Svb neemt hierdoor aan dat de andere ouder eveneens verantwoordelijk is voor de verblijfsoverstijgende kosten voor [dochter] en dus de volledige kinderbijslag moet ontvangen.
4. Eiser voert aan dat sprake is van co-ouderschap, wat volgens hem blijkt uit de uitspraak van het gerechtshof. Hij stelt verder dat het voor hem niet mogelijk was om eerder een aanvraag om (de helft van) de kinderbijslag in te dienen. Volgens eiser kan de Svb zich niet baseren op de kinderalimentatieberekening, omdat tussen partijen sprake is van een gelijke zorgverdeling. De beschikking ziet enkel op de betaling van kinderalimentatie, en niet op de ontvangst van kinderbijslag. Bovendien heeft de alimentatieberekening betrekking op een verouderde situatie, zodat deze niet kan dienen als grondslag voor de afwijzing van de kinderbijslag.
De periode van het tweede en derde kwartaal van 2024
5. De rechtbank volgt de Svb in haar standpunt dat eiser geen recht heeft op uitbetaling van kinderbijslag over het tweede en derde kwartaal van 2024. Dit volgt uit artikel 18, zesde lid, van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW). Daarin staat het navolgende:
Zolang de persoon aan wie op grond van het vierde of vijfde lid kinderbijslag zou moeten worden betaald geen aanvraag daartoe heeft ingediend, blijft de kinderbijslag, in afwijking van het vierde en vijfde lid, betaald worden aan de persoon die daartoe wel een aanvraag heeft ingediend. Indien de persoon die geen aanvraag heeft ingediend, alsnog een aanvraag indient, wordt de kinderbijslag aan die persoon betaald:
a.
na afloop van het kalenderkwartaal waarin de aanvraag is ingediend, indien deze is ingediend in de eerste twee maanden van dat kalenderkwartaal; of
na afloop van het kalenderkwartaal volgend op het kalenderkwartaal waarin de aanvraag is ingediend, indien deze is ingediend in de laatste maand van dat kalenderkwartaal.
Kort gezegd volgt hieruit dat de uitbetaling van de kinderbijslag niet met terugwerkende kracht kan worden gewijzigd. Is de aanvraag – zoals hier – in de tweede maand van het vierde kwartaal van 2024 ingediend, dan heeft dat pas effect vanaf het vierde kwartaal van 2024 (waarbij geldt dat kinderbijslag altijd pas na afloop van het betreffende kwartaal wordt uitbetaald). In eisers enkele niet-onderbouwde stelling dat het voor hem niet mogelijk was om eerder een verzoek in te dienen, ziet de rechtbank geen aanleiding om te oordelen dat de Svb had moeten afwijken van deze imperatief (dwingend) geformuleerde wettelijke bepaling.
De periode vanaf het vierde kwartaal van 2024