ECLI:NL:RBZWB:2025:9435

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
30 december 2025
Publicatiedatum
2 januari 2026
Zaaknummer
C/02/439615 / FA RK 25-4602
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • mr. De Beer
  • mr. Holierhoek
  • mr. Dijkman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vervangende toestemming voor verhuizing en inschrijving op school in een echtscheidingszaak met minderjarigen

In deze zaak heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 30 december 2025 uitspraak gedaan in een rekestprocedure betreffende vervangende toestemming voor verhuizing en inschrijving op school. De vrouw, vertegenwoordigd door haar advocaat mr. F.C.M. Maat-Oldenhof, verzoekt toestemming om met haar minderjarige kinderen, [minderjarige 1] en [minderjarige 2], te verhuizen naar [plaats 1] en om [minderjarige 2] in te schrijven op een reformatorische school in de omgeving. De man, vertegenwoordigd door mr. W.E. de Wit-de Witte, heeft aanvankelijk toestemming gegeven voor de verhuizing, maar onder voorwaarden. De rechtbank heeft de verzoeken behandeld op 12 december 2025, waarbij beide partijen en vertegenwoordigers van de Raad voor de Kinderbescherming en de Gecertificeerde Instelling aanwezig waren. De rechtbank oordeelt dat de vrouw vervangende toestemming krijgt voor de verhuizing, omdat dit in het belang van de minderjarigen is. De rechtbank benadrukt dat de communicatie tussen de ouders verbeterd moet worden en dat er geen voorwaarden aan de verhuizing verbonden hoeven te worden. Voor de inschrijving van [minderjarige 2] op school is de rechtbank van mening dat er meer duidelijkheid nodig is over de schoolkeuze, en houdt dit verzoek aan tot verdere ontwikkelingen. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Zaaknummer: C/02/439615 / FA RK 25-4602
Datum uitspraak: 30 december 2025
Beschikking van de meervoudige kamer betreffende vervangende toestemming verhuizing en vervangende toestemming inschrijving school
in de zaak van
[de vrouw],
hierna te noemen: de vrouw,
wonende te [woonplaats 1],
advocaat: mr. F.C.M. Maat-Oldenhof te ’s-Heer Arendskerke,
tegen
[de man] ,
hierna te noemen: de man,
wonende te [woonplaats 2],
advocaat: mr. W.E. de Wit-de Witte te Goes.
Als informant wordt in deze procedure aangemerkt:
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND,
hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (GI),
gevestigd te Middelburg,
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad, om de meervoudige kamer van de rechtbank over de verzoeken te adviseren.

1.Het procesverloop

1.1
De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:
- het op 8 september 2025 ontvangen verzoekschrift ex artikel 1:253a BW, met bijlagen;
- het op 24 november 2025 ontvangen F9-formulier van mr. Maat-Oldenhof, met als bijlage een handgeschreven brief van [minderjarige 1] ;
- het op 25 november 2025 ontvangen verweerschrift, met bijlagen.
1.2
De verzoeken zijn mondeling behandeld op 12 december 2025. Bij die gelegenheid zijn verschenen de man en de vrouw, bijgestaan door haar advocaat. Tevens waren aanwezig twee vertegenwoordigsters van de Raad en een vertegenwoordigster van de GI.
De advocaat van de man is met bericht van afmelding niet verschenen.
1.3
De minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn in de gelegenheid gesteld om te worden gehoord. [minderjarige 1] heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt middels het schrijven van een brief.

2.De feiten

2.1
Partijen zijn gehuwd geweest. Bij beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, van 16 januari 2024 is in het huwelijk van partijen de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 24 januari 2024 is ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand.
2.2
Uit het huwelijk van partijen zijn de navolgende, thans nog minderjarige kinderen geboren:
  • [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2010, hierna te noemen: [minderjarige 1] ;
  • [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2018, hierna te noemen: [minderjarige 2] .
2.3
De minderjarigen verblijven bij de vrouw.
2.4
Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de minderjarigen.
2.5
Partijen zijn een ouderschapsplan overeengekomen, welk ouderschapsplan door de man is ondertekend op 13 november 2023 en door de vrouw is ondertekend op 15 november 2023. Uit dit plan volgt onder meer dat partijen zijn overeengekomen dat de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hun hoofdverblijf bij de vrouw hebben en dat er een zorgregeling zal gelden op grond waarvan de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een weekend per twee weken in de even weekenden van vrijdag tussen 17:00 – 18:00 uur tot zondag tussen 19:45 – 20:15 uur bij de man verblijven, waarbij de vrouw de minderjarigen op vrijdag naar de man brengt en de man de minderjarigen op zondag terug naar de vrouw brengt, alsmede gedurende een deel van de vakanties.
2.6
Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 18 april 2023 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI, met ingang van 18 april 2023 en tot 18 oktober 2023. Deze maatregel is daarna steeds verlengd, laatstelijk bij beschikking van 3 oktober 2025, met ingang van 18 oktober 2025 en tot 18 april 2026.

3.De verzoeken

3.1
De vrouw verzoekt, na aanvulling, vervangende toestemming te verlenen om met de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in juli 2026 te verhuizen naar de [adres] te [plaats 1] , alsmede vervangende toestemming te verlenen om [minderjarige 2] in te schrijven op een op reformatorische leest geschoeide school in [plaats 2] of [plaats 3] , en haar die met ingang van de verhuizing te laten bezoeken.

4.De beoordeling

Vervangende toestemming verhuizing
4.1
De vrouw heeft ter onderbouwing van haar verzoek aangevoerd dat zij voornemens is om in juli 2026 met haar partner in het huwelijk te treden en dan met de minderjarigen bij haar partner in te trekken. Haar partner is vanwege zijn werk als fruitteler gebonden aan zijn boerderij in [plaats 1] . De vrouw en de minderjarigen verblijven hier al regelmatig en de minderjarigen hebben het hier erg naar hun zin. Ook is de vrouw inmiddels werkzaam op de boerderij. De zorgregeling kan na de verhuizing op de huidige wijze worden voortgezet. De man heeft toestemming gegeven voor de verhuizing naar [plaats 1] , maar volgens de vrouw onder de voorwaarde dat de vrouw de minderjarigen naar de man laat gaan als zij niet zouden kunnen wennen in [plaats 1] of als het om andere redenen niet goed met hen zou gaan. De vrouw kan daar niet mee akkoord gaan. Partijen moeten met elkaar in gesprek gaan als het niet goed gaat met de minderjarigen, en dan bezien wat er moet gebeuren. Eventueel kan de vrouw dan met de minderjarigen terug verhuizen naar haar huidige woning. Deze houdt zij aan. De vrouw verwacht dat partijen er ondanks hun wantrouwen en gebrekkige communicatie toe in staan zijn om met elkaar in gesprek te gaan als het niet goed zou gaan met de minderjarigen. Dit is eerder namelijk ook gelukt. Partijen staan bovendien op de wachtlijst voor een traject voor ouderschapsbemiddeling.
4.2
De man heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling aangegeven dat hij akkoord is met de verhuizing van de vrouw en de minderjarigen naar [plaats 1] . Wel wil de man daarbij afspreken dat de vrouw de minderjarigen vrijlaat als zij niet kunnen wennen in [plaats 1] of als het om andere redenen niet goed met hen gaat en zij bij de man willen wonen. De man denkt dat partijen er uiteindelijk in zouden slagen om met elkaar in gesprek te gaan als het niet goed met de minderjarigen gaat, maar hij heeft daar weinig vertrouwen in en wil het liever vooraf goed regelen voor de minderjarigen. Hij is verder bereid om het traject voor ouderschapsbemiddeling aan te gaan, maar denkt niet dat het nut zal hebben.
4.3
Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft de vertegenwoordigster van de Raad geadviseerd om de vervangende toestemming voor de verhuizing te verlenen. De verhuizing acht de Raad in het belang van de minderjarigen. Er dienen geen voorwaarden aan te worden verbonden, omdat nu niet kan worden gezegd dat, als het straks niet goed zou gaan met de minderjarigen bij de vrouw thuis, het de oplossing is voor hen om voortaan bij de man te gaan wonen. Dat moet op dat moment worden onderzocht. Het is bovendien niet goed voor de minderjarigen, die al heel lang in een complexe echtscheidingssituatie verkeren, om heen en weer te gaan tussen de ouders, aldus de Raad. De minderjarigen hebben volgens de Raad duidelijkheid nodig. Het traject voor ouderschapsbemiddeling kan partijen helpen bij het maken van korte, duidelijke afspraken.
4.4
De vertegenwoordigster van de GI heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling aangegeven dat zij achter de verhuizing van de minderjarigen met de vrouw naar [plaats 1] staat. Het traject voor ouderschapsbemiddeling zal in december 2025 van start gaan en zal partijen hopelijk helpen bij het maken van korte, duidelijke afspraken.
4.5
De rechtbank overweegt als volgt.
4.5.1
Partijen hebben samen het ouderlijk gezag over de minderjarigen. Dit brengt met
zich dat de vrouw voor een eventuele verhuizing met de minderjarigen naar [plaats 1] de toestemming van de man nodig heeft. De man heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling meermaals aangegeven dat hij akkoord gaat met de verhuizing van de vrouw en de minderjarigen naar [plaats 1] . Wel wil hij dat de vrouw de minderjarigen vrijlaat als zij niet kunnen wennen in [plaats 1] of het niet goed met hen gaat en zij bij de man willen wonen. De man wil kortom in overleg kunnen treden als de verhuizing voor de kinderen niet uitpakt als voorzien. Hieruit begrijpt de rechtbank dat de man kan instemmen met de door de vrouw beoogde verhuizing met de minderjarigen naar [plaats 1] . Op dit punt bestaat er dus geen verschil van mening tussen partijen. De rechtbank hoeft daarom het verzoek van de vrouw tot het verlenen van vervangende toestemming voor de verhuizing niet inhoudelijk te beoordelen. Op zich lijkt het verzoek overigens ook aan de eisen in de jurisprudentie te voldoen.
De rechtbank zal echter desondanks vervangende toestemming verlenen voor de verhuizing, aangezien de rechtbank het in het belang van de minderjarigen acht dat hier nu duidelijkheid over gaat ontstaan. Doorslaggevend hiervoor is dat de onderlinge verhoudingen van partijen dusdanig verstoord zijn geraakt dat zij er op dit moment onvoldoende in slagen om op een constructieve wijze met elkaar te communiceren, samen te werken en afspraken te maken. Zonder een beslissing van de rechtbank blijven de ouders in discussie en blijven de minderjarigen in onzekerheid.
4.5.2
De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Vervangende toestemming inschrijving school
4.6
De vrouw heeft ter onderbouwing van haar verzoek aangevoerd dat partijen het erover eens zijn dat [minderjarige 2] na de verhuizing opnieuw naar een op reformatorische leest geschoeide school zal gaan. In de nabije omgeving van [plaats 1] zijn er twee op reformatorische leest geschoeide scholen, te weten in [plaats 2] en in [plaats 3] . Dat betekent dat er uiteindelijk een keuze moet worden gemaakt tussen deze twee scholen. Op dit moment wordt er bij [minderjarige 2] nog onderzoek gedaan naar autisme en dyslexie. Aan de hand van de uitkomsten van het onderzoek wil de vrouw met beide scholen in gesprek gaan en kijken welke school het beste kan aansluiten bij de behoeften van [minderjarige 2] . De vrouw wil [minderjarige 2] daar op een passende wijze bij betrekken en de man steeds in (blijven) meenemen.
4.7
Door en namens de man is afwijzing van het verzoek tot het verlenen van vervangende toestemming voor de inschrijving van [minderjarige 2] op een basisschool bepleit, nu dit verzoek onvoldoende gespecificeerd is. De man was er bovendien niet van op de hoogte dat de keuze al tot twee scholen is beperkt. Dit is niet aan hem meegedeeld. Hij wil te zijner tijd kunnen meebeslissen over de keuze.
4.8
De rechtbank overweegt als volgt.
4.8.1
Zoals hiervoor reeds overwogen zijn partijen gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over beide minderjarigen, hetgeen met zich brengt dat de vrouw ook voor een eventuele inschrijving van [minderjarige 2] op een andere school de toestemming van de man nodig heeft. Indien de ouders het hierover niet eens worden, kunnen geschillen op grond van artikel 1:253a lid 1 BW aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van [minderjarige 2] wenselijk voorkomt.
4.8.2
Uit de overgelegde stukken en hetgeen is besproken ter gelegenheid van de mondelinge behandeling is het de rechtbank gebleken dat het op dit moment niet duidelijk is voor welke school de vrouw de vervangende toestemming voor de inschrijving van [minderjarige 2] verzoekt. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft de vrouw aangegeven dat de keuze inmiddels tot twee scholen is beperkt en dat deze keuze uiteindelijk moet worden gemaakt aan de hand van de uitkomst van het op dit moment nog lopende onderzoek van [minderjarige 2] naar autisme en dyslexie en de daarna te voeren gesprekken met de beide scholen, zodat duidelijk is welke school het beste aansluit bij hetgeen [minderjarige 2] nodig heeft. De vrouw wil deze keuze zoveel mogelijk samen met de man maken. De man stemt er ook mee in dat [minderjarige 2] na de verhuizing opnieuw een op reformatorische leest geschoeide school zal bezoeken. Bovendien dient de schoolwisseling vanaf het schooljaar 2026/2027 in te gaan.
4.8.3
Nu het op dit moment nog niet duidelijk is voor welke school de vrouw de vervangende toestemming tot inschrijving van [minderjarige 2] verzoekt en de man tegen de te maken keuze nog geen bezwaar heeft gemaakt, zal de rechtbank het verzoek van de vrouw aanhouden in afwachting van de ontwikkelingen. Daarbij overweegt de rechtbank dat beide partijen ter gelegenheid van de mondelinge behandeling hebben aangegeven dat zij bereid zijn om het traject voor ouderschapsbemiddeling aan te gaan. De rechtbank verwacht dat partijen er tijdens dit traject in zullen slagen om samen een passende school voor [minderjarige 2] te kiezen. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw daarom aanhouden tot
12 mei 2026 PRO FORMA. De vrouw wordt verzocht om uiterlijk op deze datum de rechtbank en de overige betrokkenen te informeren over de ontwikkelingen ten aanzien van de schoolkeuze van [minderjarige 2] en het door de vrouw gewenste verdere procesverloop, waarna de man ook in de gelegenheid wordt gesteld om zich uit te laten over de ontwikkelingen en het gewenste verdere procesverloop.
4.8.4
De rechtbank ziet tot slot aanleiding om de zaak voor wat betreft het verzoek tot het verlenen van vervangende toestemming voor de inschrijving van [minderjarige 2] op een basisschool vanwege het karakter van dit verzoek te verwijzen naar de enkelvoudige kamer van deze rechtbank.

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1
verleent aan de vrouw vervangende toestemming om met de minderjarigen
- [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2010, en
- [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2018,
te verhuizen naar de woning aan de [adres] te [plaats 1] ;
5.2
verklaart deze beschikking in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;
5.3
houdt het verzoek tot het verlenen van vervangende toestemming voor de inschrijving van [minderjarige 2] op een basisschool aan tot
12 mei 2026 PRO FORMA,met het verzoek aan de vrouw om uiterlijk op deze datum de rechtbank en de betrokkenen te informeren over de stand van zaken;
5.4
verwijst de zaak voor wat betreft het verzoek tot het verlenen van vervangende toestemming voor de inschrijving van [minderjarige 2] op een basisschool naar de enkelvoudige kamer van deze rechtbank;
5.5
behoudt zich iedere nadere beslissing voor.
Deze beschikking is gegeven door mr. De Beer, voorzitter tevens (kinder)rechter,
mr. Holierhoek en mr. Dijkman, (kinder)rechters, en in het openbaar uitgesproken op 30 december 2025 in tegenwoordigheid van mr. De Haas, griffier.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.