Uitspraak
1.[gedaagde 1]
2. [gedaagde 2]
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De zaak betreft een huurovereenkomst van een woning die sinds januari 2023 is verhuurd aan de huurders, terwijl de verhuurder als expat in het buitenland verblijft. De huurders zijn sinds februari 2025 maandelijks €1.821 verschuldigd, maar zijn al twaalf maanden in gebreke gebleven met betalingen. De verhuurder vordert ontbinding van de huurovereenkomst, ontruiming van de woning en betaling van de achterstallige huur.
De huurders erkennen de betalingsachterstand grotendeels en voeren aan dat deze is veroorzaakt door een ernstige ziekte van een van hen, waardoor tijdelijk geen inkomen was. Zij willen de achterstand in termijnen voldoen en stellen dat kosten voor parkeerplaatsen en een makelaar in mindering moeten worden gebracht, wat de kantonrechter verwerpt omdat deze kosten niet apart in de huurovereenkomst zijn opgenomen.
De kantonrechter oordeelt dat de huurachterstand ernstig genoeg is voor ontbinding, mede omdat de achterstand inmiddels is opgelopen tot ongeveer twaalf maanden. De belangen van het minderjarige kind van de huurders wegen niet zwaar genoeg om ontbinding te voorkomen, temeer daar het kind binnen drie maanden meerderjarig wordt. De huurders worden veroordeeld tot ontruiming binnen veertien dagen na betekening, betaling van de achterstallige huur van €21.318,74 met wettelijke rente, een gebruiksvergoeding van €1.821 per maand vanaf december 2025 tot ontruiming, en de proceskosten.
Uitkomst: De huurovereenkomst wordt ontbonden en de huurders worden veroordeeld tot ontruiming en betaling van achterstallige huur, gebruiksvergoeding en proceskosten.