De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige in een pleeggezin. De minderjarige verblijft sinds 31 juli 2024 in het pleeggezin en ontwikkelt zich daar positief, hoewel hij snel overprikkeld raakt en emotionele ondersteuning nodig heeft.
De ouders, die het ouderlijk gezag behouden, zijn niet verschenen bij de zitting. De moeder heeft sinds mei 2025 de bezoekafspraken afgezegd en de vader heeft pas na schriftelijke aanwijzing toestemming gegeven voor hulpverlening. De bezoeken tussen de moeder en de minderjarige verlopen moeizaam, wat een negatieve impact heeft op het welzijn van de minderjarige.
De kinderrechter stelt vast dat de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk is voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige en verlengt deze tot 31 juli 2026. Tevens wordt de beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard om de continuïteit van de zorg te waarborgen. Er wordt een onderzoek naar een schriftelijke aanwijzing voor de bezoekregeling met de moeder aanbevolen en een perspectiefbesluit over de toekomstige woonplaats van de minderjarige wordt noodzakelijk geacht.