Uitspraak
RECHTBANK Zeeland-West-Brabant
1.[eiser 1] ,
2.
[eiser 2],
1.[gedaagde 1] ,
2.
[gedaagde 2],
1.De verdere procedure
2.De verdere beoordeling
Ik heb ook het bedrag van € 35.000,- in contanten aan [eiser 2] terugbetaald.(…)” [gedaagde 1] vervolgt “(…)
U houdt me voor dat ik blijkens het voormelde document een bedrag van € 17.500,- heb betaald als aflossing, een bedrag aan rente van € 1.207,50 en een bedrag van € 35.000,-. Het klopt, ik heb het totaalbedrag van € 53.707,50 in contanten op 4 december 2019 aan [eiser 2] betaald.(…)” Ook verklaart [gedaagde 1] : “(…)
Ik wil nog verder toelichten dat ik in het bijzijn van de heer [naam 1] , in mijn kantoor dus, op 4 december 2019 ook het bedrag van € 35.000,- aan [eiser 2] heb betaald.(…)” Hij vervolgt: “(…)
Ik heb sieraden in goud aan [naam 1] verkocht. De koopsom bedroeg meer dan € 35.000,-. Ik weet de precieze koopsom niet meer, maar het was wel beduidend meer dan die € 35.000,-.(…)” Over de herkomst van die sieraden verklaart [gedaagde 1] als volgt: “(…)
Van deze goudtransactie is verder geen documentatie voor handen, voor zover ik mij kan herinneren.(…)” en “(…)
Ik heb deze sieraden in goud zelf gekocht van een handelaar in Beverwijk. De naam van de handelaar kan ik me niet meer herinneren. Ik kan me niet meer herinneren wanneer ik deze sieraden in goud heb gekocht. Verder was daar niemand bij aanwezig.(…)”
Ik ben niet aanwezig geweest bij de aflossing van de lening” (…) “
Ik weet uit eigen wetenschap niets te verklaren over deze aflossing” (…) “
Wat ik weet over de aflossing heb ik alleen gehoord van mijn echtgenoot”.
Ik heb de heer [eiser 2] die u mij zojuist aanwees niet eerder gezien”. Dat is in strijd met de verklaring van [gedaagde 1] dat op 4 december 2019 in het bijzijn van [naam 1] ook het bedrag van € 35.000,00 aan [eiser 2] is overhandigd. Ook later in het verhoor blijft een herkenning van [eiser 2] uit. [naam 1] verklaart wel over een goudtransactie met [gedaagde 1] . “(…)
Ik was bij de heer [gedaagde 1] om goud te kopen. (…)” “(…)
Ik heb voor deze sieraden ongeveer € 35.000,00 aan de heer [gedaagde 1] betaald. (…)” Op vragen van de raadsman van [gedaagde 1] verklaart [naam 1] : “
Ik heb eerst het geld aan [gedaagde 1] gegeven. Vervolgens zag ik de heer [gedaagde 1] iets op papiertje schrijven en tot slot gaf de heer [gedaagde 1] het geld aan die derde meneer. Zo is het gegaan. Die derde persoon heeft nog een handtekening geplaatst op het papiertje. Ook meneer [gedaagde 1] heeft nog een handtekening geplaatst op dat papiertje. Ik vind het toch lastig om te antwoorden zonder een tolk. Ik kan het niet goed uitleggen en ik begrijp jullie ook niet goed.(…)”
Volgens mij was het goud van die derde persoon afkomstig. (…)”, terwijl zelfs [gedaagde 1] hierover niet heeft verklaard en overigens uit niets blijkt dat [eiser 2] goud aan heer [gedaagde 1] heeft geleverd. Hoewel de rechtbank heeft kunnen vaststellen dat [naam 1] de Nederlandse taal machtig is, verklaart [naam 1] dat hij het niet goed kan uitleggen en dat hij het niet goed begrijpt. Aan de verklaring van [naam 1] kent de rechtbank dan ook weinig overtuigingskracht toe ook omdat zijn verklaring onvoldoende stellig is.
Op 4 december 2019 is het bedrag van € 17.500,00 aan mijn betaald. Dit bedrag is in contanten aan mij verstrekt, en wel in biljetten van € 50,00 in vijf enveloppen en in iedere envelop zaten 70 biljetten van € 50,00. Er is geen rentebetaling gedaan. Het bedrag van € 1.207,50 is niet aan mij betaald. Ook in zoverre klopt het document dus helemaal niet.(…)
Op 4 december heb ik alleen het bedrag van € 17.500,- in contanten van heer [gedaagde 1] ontvangen. Bij de overhandiging van het bedrag € 17.500,- waren alleen de heer [gedaagde 1] en ik op zijn administratiekantoor aanwezig. Ik kan u zeggen dat ik met honderd procent zekerheid kan zeggen dat in die ruimte ten tijde van overhandiging van het bedrag alleen ik en [gedaagde 1] aanwezig waren. Als [gedaagde 1] verklaart dat ook de heer [naam 1] ook bij de overhandiging van een bedrag aanwezig is geweest, is dat onjuist. Ik kan zelfs zeggen dat hij dan onder ede liegt. Wis en waarachtig.(…)” [eiser 2] is partij in deze procedure en heeft, net als [gedaagde 1] , belang bij deze verklaring. Niettemin acht de rechtbank deze verklaring overtuigend en geloofwaardig omdat [eiser 2] zonder enige voorbehoud, stellig en onvoorwaardelijk verklaart.
Ik heb het contante geld ten bedrage van € 17.500,00 zelf niet gezien. Het is ontvangen en gestort op de ervenrekening. Ik heb dat bankafschrift gezien. En daar stond die € 17.500,00 op. De derde termijn is uitgebleven. Ook de betaling van de vierde termijn is uitgebleven. Kort en goed: op de lening zijn dus twee bedragen van € 17.500,00 afgelost en er is een rentevergoeding betaald berekend over één termijn van € 17.500,00. Andere bedragen zijn niet betaald. De lening is dus niet afgelost.(…)” [eiser 1] verklaart dat slechts € 17.500,00 op de ervenrekening is ontvangen en niet het bedrag van € 53.707,50 dat [gedaagde 1] in contanten aan [eiser 2] zou hebben meegegeven. Dat het verschil tussen deze bedragen door [eiser 2] is verduisterd is door niemand beweerd, zodat de rechtbank aan deze mogelijkheid voorbijgaat. Ook de verklaring van [eiser 1] is stellig, zonder voorbehoud en onvoorwaardelijk gegeven. Hiervan gaat gelijk de verklaring van [eiser 2] veel overtuigingskracht uit.