Op 24 december 2025 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in de zaak tussen eiser, vertegenwoordigd door mr. L.L. Ross, en de Dienst Toeslagen. Eiser had beroep ingesteld omdat verweerder niet tijdig had beslist op zijn aanvraag van 8 oktober 2024 voor aanvullende compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). De rechtbank oordeelde dat het beroep kennelijk gegrond was, aangezien de beslistermijn van zes maanden na ontvangst van de aanvraag op 9 oktober 2025 was verstreken zonder dat er een besluit was genomen. Eiser had verweerder op 23 oktober 2025 in gebreke gesteld, maar er was nog steeds geen besluit genomen. De rechtbank bepaalde dat verweerder binnen twee weken na de uitspraak alsnog een besluit moest nemen en legde een dwangsom op van € 100,- per dag voor elke dag dat de beslistermijn werd overschreden, met een maximum van € 15.000,-. Daarnaast moest verweerder het griffierecht van € 53,- en proceskosten van € 453,50 aan eiser vergoeden. De uitspraak werd gedaan zonder zitting, op basis van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).