ECLI:NL:RBZWB:2025:9216

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
30 december 2025
Publicatiedatum
23 december 2025
Zaaknummer
C/02/441581 / KG ZA 25-579
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
  • Luijks
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:2 BWArt. 556 RvArt. 557 RvArt. 36e Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontruiming woonwagen en contactverbod na relatiebreuk met omgangsregeling afgewezen

Partijen hadden een affectieve relatie waaruit een dochter is geboren. Na relatiebreuk verliet de vrouw met haar dochter de woonwagen, die zij juridisch bezit. De man bleef in de woonwagen wonen ondanks sommatie om te vertrekken.

De vrouw vorderde in kort geding ontruiming van de woonwagen binnen drie dagen, een contact- en gebiedsverbod tegen de man en veroordeling in de kosten. De man voerde verweer en stelde dat de vrouw geen spoedeisend belang had, dat hij mede-eigenaar was en dat het gebiedsverbod disproportioneel was.

De voorzieningenrechter oordeelde dat de vrouw een spoedeisend belang had en dat zij juridisch eigenaar is van de woonwagen. De ontruiming werd toegewezen met een redelijke termijn van 60 dagen. Het contact- en gebiedsverbod werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing en bestaande bijzondere voorwaarden.

In reconventie vorderde de man een omgangsregeling met de dochter. De vrouw was bereid tot contact onder begeleiding van hulpverleners. De rechtbank wees de omgangsvorderingen af omdat het verzoekschrift bij de bodemrechter afgewacht kan worden.

De kosten van de procedure werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: De man wordt veroordeeld tot ontruiming van de woonwagen binnen 60 dagen; contact- en gebiedsverbod en omgangsvorderingen worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK Zeeland-West-Brabant

Civiel recht
Zittingsplaats Middelburg
Zaaknummer: C/02/441581 / KG ZA 25-579
Vonnis in kort geding van 30 december 2025
in de zaak van
[de vrouw],
te [plaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna ook te noemen: ‘ [de vrouw] ’,
advocaat: mr. H.E.C.M. Nieland,
tegen
[de man],
te [plaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna ook te noemen: ‘ [de man] ’,
advocaat: mr. A. Goedkoop.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 14 november 2025 met producties 1 tot en met 9;
- de conclusie van antwoord in conventie tevens eis in reconventie met producties 1 tot en met 8;
- de mondelinge behandeling van 16 december 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en waaraan de pleitnota’s van partijen zijn gehecht.

2.De feiten

2.1.
Partijen hebben een affectieve relatie gehad. Uit die relatie is in 2017 dochter [dochter] geboren.
2.2.
Met uitzondering van de periode van maart 2019 tot september 2021, waarin [de man] in detentie verbleef, hebben partijen gedurende de relatie (feitelijk) samengewoond in de woonwagen op het adres [adres 1] te [plaats] (hierna ook: ‘de woonwagen’).
2.3.
[de man] staat sinds 17 augustus 2022 in de gemeentelijke basisadministratie ingeschreven op het (post)adres [adres 2] te [plaats] .
2.4.
[de vrouw] heeft de relatie op 23 juni 2025 verbroken en heeft samen met [dochter] de woonwagen verlaten.
2.5.
Op 24 juni 2025 heeft tussen partijen een incident plaatsgevonden, waarna [de vrouw] aangifte heeft gedaan tegen [de man] . De strafrechtelijke procedure met betrekking tot deze aangifte moet nog plaatsvinden.
2.6.
Tegen [de man] is in verband met dit incident op 25 juli 2025 een bevel tot bewaring verleend door de rechter-commissaris. Deze is per diezelfde datum geschorst, waarbij bijzondere voorwaarden zijn opgelegd, inhoudende dat [de man] op geen enkele wijze contact mag opnemen, zoeken of hebben met [de vrouw] en [dochter] , tenzij met toestemming van hulpverlening en zo lang de reclassering dit nodig acht. [de man] heeft sindsdien – begeleid door een medewerkster van [organisatie] – contact met [dochter] via videobellen.
2.7.
Op 4 september 2025 heeft [de vrouw] [de man] gesommeerd om de woonwagen te verlaten en deze niet meer te betreden. [de man] heeft op 5 september 2025 te kennen gegeven daaraan geen gehoor te geven en verblijft tot op heden in de woonwagen.
2.8.
Op 3 december 2025 heeft een (eveneens begeleid) fysiek contactmoment tussen [de man] en [dochter] plaatsgevonden.

3.Het geschil

in conventie
3.1.
[de vrouw] vordert dat de voorzieningenrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
I. [de man] zal veroordelen om binnen drie dagen na betekening van dit vonnis de woonwagen aan [adres 1] te [plaats] met al het zijne en de zijnen te verlaten en te ontruimen en deze ter vrije beschikking van [de vrouw] te stellen;
II. te bepalen dat, indien [de man] niet vrijwillig aan deze veroordeling voldoet, de ontruiming zal plaatsvinden met behulp van de sterke arm van politie en justitie;
III. [de man] zal verbieden om op enigerlei wijze, direct of indirect, contact te zoeken met [de vrouw] , hetzij persoonlijk, telefonisch, schriftelijk, via elektronische middelen of via derden;
IV. [de man] een contactverbod zal opleggen, inhoudende dat hij zich dient te onthouden van ieder direct of indirect met [de vrouw] , zowel persoonlijk als via derden, alsmede van het benaderen van [de vrouw] via enig communicatiemiddel;
V. te bepalen dat [de man] zich niet binnen een straal van dertig kilometer van het woonadres van [de vrouw] mag bevinden, zulks op straffe van een dwangsom van € 500,00 voor iedere overtreding;
VI. [de man] te veroordelen in de kosten van dit geding, waaronder de nakosten en de kosten van betekening en executie.
3.2.
[de vrouw] legt aan de vordering ten grondslag dat zij zich vanwege haar eigen veiligheid en de veiligheid van [dochter] na de relatiebreuk genoodzaakt heeft gezien de woonwagen te verlaten. Sindsdien verblijft zij op tijdelijke adressen, maar dat is geen houdbare situatie. [de vrouw] stelt dat zij de (enig) eigenaar is van de woonwagen. Zij betaalt ook alle voorzieningen (gas, water, elektra), zelfs nu zij daar niet verblijft. [de man] draagt niet bij in de kosten en betaalt ook anderszins geen vergoeding aan [de vrouw] voor het gebruik van de woonwagen en de voorzieningen. Daarnaast heeft [de man] illegaal een loods op het terrein van [de vrouw] opgericht, waardoor [de vrouw] dwangsommen dreigt te verbeuren. [de vrouw] wil de loods amoveren en samen met [dochter] terugkeren naar haar eigendom en de voor hen vertrouwde omgeving. Daarbij is voor [de vrouw] van belang dat [de man] niet in de buurt van het adres komt.
3.3.
[de man] voert verweer. [de man] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [de vrouw] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [de vrouw] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [de vrouw] in de kosten van deze procedure.
3.4.
[de man] voert aan dat de enkele omstandigheid dat [de vrouw] wil terugkeren naar de woonwagen niet maakt dat sprake is van een spoedeisend belang. Zo heeft [de vrouw] niet onderbouwd dat bijvoorbeeld acute dakloosheid voor haar en [dochter] dreigt. Daarnaast heeft [de vrouw] bij het beëindigen van de relatie een brief achtergelaten voor [de man] waarin zij hem schrijft dat hij in de woonwagen mag blijven wonen. Ook voert [de man] aan dat de juridische eigendom van [de vrouw] van de woonwagen is geconstrueerd en hij bovendien economisch (mede)eigenaar is. Ten aanzien van de loods voert hij aan dat deze inmiddels is aangepast zodat deze voldoet aan de vereisten van de door de gemeente afgegeven omgevingsvergunning, zodat [de vrouw] ook geen belang meer heeft bij het amoveren daarvan. Voor wat betreft het contact- en gebiedsverbod voert [de man] aan dat hiertoe geen enkele noodzaak bestaat dan wel dat deze verboden disproportioneel zullen zijn. Zeker voor wat betreft het gebiedsverbod is een straal van 30 kilometer onredelijk, nu [de man] daarbinnen zijn werkzaamheden uitvoert en zijn postadres heeft.
in reconventie
3.5.
[de man] vordert dat de voorzieningenrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
primair:
I. zal bepalen dat een opbouwende omgangsregeling zal gelden waarbij [de man] en [dochter] wekelijks fysiek contact hebben gedurende aanvankelijk minimaal twee uur, onder begeleiding van een door de rechtbank of partijen gezamenlijk te kiezen professionele instelling gespecialiseerd in begeleide omgang, welke regeling uiteindelijk moet uitmonden in een reguliere omgangsregeling van een weekend per veertien dagen;
subsidiair:
II. zal bepalen dat een omgangsregeling zal gelden waarbij [de man] en [dochter] eenmaal per veertien dagen fysiek contact hebben gedurende minimaal anderhalf uur, onder begeleiding van een professionele instelling;
meer subsidiair:
III. een zodanige voorlopige voorziening zal treffen als de voorzieningenrechter in goede justitie rechtdoende luidt en passend acht;
zowel primair als subsidiair:
IV. [de vrouw] zal veroordelen tot betaling van een dwangsom van € 100,00 voor iedere keer dat zij in gebreke blijft de omgangsregeling na te komen, tot een maximum van € 5.000,00 is bereikt;
V. [de vrouw] zal veroordelen in de kosten van de procedure.
3.6.
[de man] legt aan de vordering ten grondslag dat [de vrouw] na het begeleid fysiek contact tussen [de man] en [dochter] van 3 december 2025 heeft aangegeven hier niet (meer) aan te willen meewerken. [de man] stelt dat [dochter] recht heeft op contact met haar beide ouders. Vanwege haar jonge leeftijd en het beperkte contact met [de man] in de afgelopen maanden bestaat een risico op vervreemding.
3.7.
[de vrouw] voert verweer. [de vrouw] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [de man] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [de man] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [de man] in de kosten van deze procedure.
3.8.
[de vrouw] voert aan dat zij en [dochter] worden begeleid door meerdere hulpverleningsinstanties, waaronder Veilig Thuis en [organisatie] . In overeenstemming met de hiervoor onder 2.7 genoemde bijzondere voorwaarden hebben deze hulpverleningsinstanties de regie over het contact tussen [de man] en [dochter] . [de vrouw] heeft in een moment van emotie gezegd dat zij niet (meer) wil meewerken aan dat contact, maar inmiddels heeft zij ingezien dat dit niet de juiste handelwijze is. Zij geeft aan bereid te zijn mee te werken aan het contact voor zover dit door de betrokken instanties wordt goedgekeurd. [de vrouw] voert aan dat een omgangsregeling alleen kan worden toegewezen indien dit niet leidt tot ernstig nadeel voor het kind en niet in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind. Niet alleen vanwege de betrokkenheid van instanties, maar ook omdat [dochter] binnenkort start met traumatherapie dient de vaststelling van een omgangsregeling te worden beoordeeld door de kinderrechter, met de betrokkenheid van de Raad voor de Kinderbescherming.
in conventie en in reconventie
3.9.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

in conventie
4.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter moet daarom eerst beoordelen of [de vrouw] ten tijde van dit vonnis bij die voorziening een spoedeisend belang heeft. Daarnaast geldt dat de voorzieningenrechter in dit kort geding moet beoordelen of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Als uitgangspunt geldt bovendien dat in deze procedure geen plaats is voor bewijslevering.
spoedeisend belang
4.2.
[de vrouw] stelt dat zij een spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen, onder andere omdat zij niet langer op tijdelijke adressen kan verblijven en zij met [dochter] in een vertrouwde omgeving in haar eigen woonwagen wil verblijven. Hiermee is voldoende onderbouwd dat sprake is van een spoedeisend belang. Dat [de man] aanvoert dat niet is onderbouwd per wanneer [de vrouw] haar tijdelijke adres dient te verlaten of dat acute dakloosheid dreigt, maakt dit niet anders.
ontruiming
4.3.
Niet in geschil is dat [de vrouw] de juridisch eigenaar is van de woonwagen. Of de juridische eigendom is geconstrueerd in verband met de detentie van [de man] en de daaraan verbonden ontnemingsvordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, zoals [de man] aanvoert, doet daarbij niet ter zake. Dit wijzigt de juridische eigendom immers niet.
4.4.
Op grond van artikel 5:2 BW Pro is [de vrouw] als juridisch eigenaar bevoegd om het exclusieve gebruik van de woonwagen af te dwingen. Dat [de vrouw] in haar brief van 23 juni 2025 eerst heeft toegezegd dat [de man] in de woonwagen mag blijven, maakt dit niet anders. De (juridische) eigendom is immers niet aan [de man] overgedragen, noch is gesteld of gebleken dat sprake is van een ander recht of titel op grond waarvan [de man] de woonwagen rechtmatig onder zich houdt. De voorzieningenrechter is daarom voorshands van oordeel dat in een bodemprocedure zal worden geoordeeld dat [de man] de woonwagen dient te ontruimen.
4.5.
Het voorgaande leidt ertoe dat de voorzieningenrechter de vordering onder I zal toewijzen, maar niet voor wat betreft de gevorderde ontruimingstermijn van drie dagen. Ter zitting heeft [de vrouw] namelijk verklaard dat zij sinds de relatiebreuk afwisselend bij familie en/of bekenden verblijft, maar zij heeft – terwijl dit punt nadrukkelijk en herhaaldelijk door [de man] is opgeworpen – geen duidelijkheid verschaft over de termijn waarbinnen zij haar tijdelijke verblijfsadres(sen) dient te verlaten. Daarmee is onduidelijk gebleven waarom ontruiming van de woonwagen door [de man] (specifiek) binnen de korte termijn van drie dagen noodzakelijk is. De voorzieningenrechter acht een ontruimingstermijn van 60 dagen redelijk en zal de vordering daarom toewijzen zoals hierna in de beslissing is vermeld.
4.6.
Gelet op het voorgaande behoeven de stellingen van [de vrouw] over de al dan niet illegaal opgerichte loods bij de woonwagen en het verweer daartegen van [de man] geen nadere bespreking.
4.7.
De onder II gevorderde machtiging om de ontruiming zo nodig zelf te doen uitvoeren met behulp van de sterke arm van justitie zal worden afgewezen, omdat dit onderdeel van de vordering ingevolge artikel 556 lid 1 en Pro artikel 557 Rv Pro overbodig is.
contact- en gebiedsverbod
4.8.
Op grond van de door de rechter-commissaris opgelegde bijzondere voorwaarden zoals hiervoor omschreven onder 2.7 bestaat op dit moment een contactverbod tussen [de man] enerzijds en [de vrouw] en [dochter] anderzijds. Daarbij is een uitzondering gemaakt voor contact dat plaatsvindt met toestemming van hulpverlening en zo lang de reclassering dit nodig acht. [de vrouw] heeft onvoldoende gesteld noch is gebleken waaruit volgt dat deze voorwaarden onvoldoende toereikend zijn. Ook is niet gesteld of gebleken dat de reclassering deze voorwaarden niet langer noodzakelijk acht. Daarnaast heeft [de vrouw] niet onderbouwd waarom een gebiedsverbod van dertig kilometer vanaf de woonwagen noodzakelijk is. Omdat [de man] de noodzakelijkheid daarvan betwist en tevens aanvoert dat dit in de gegeven omstandigheden disproportioneel is, lag het op de weg van [de vrouw] om haar vorderingen nader in te kleden. Dat heeft zij niet gedaan. De onderdelen van de vordering onder III, IV en V worden daarom afgewezen.
in reconventie
4.9.
Ook hier geldt dat de voorzieningenrechter eerst dient te beoordelen of [de man] ten tijde van dit vonnis bij de door hem gevorderde voorziening een spoedeisend belang heeft. Daarnaast geldt dat de voorzieningenrechter in dit kort geding moet beoordelen of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Als uitgangspunt geldt bovendien dat in deze procedure geen plaats is voor bewijslevering.
spoedeisend belang
4.10.
[de man] stelt dat hij een spoedeisend belang heeft bij zijn vorderingen omdat het gebrek aan contact met [dochter] althans de beperking daarvan risico met zich meebrengt dat vervreemding zal optreden. Daarmee heeft [de man] voldoende gesteld om aan te nemen dat sprake is van een spoedeisend belang.
omgangsregeling
4.11.
Op grond van de hiervoor benoemde bijzondere voorwaarden (zoals omschreven onder 2.7) is op dit moment uitsluitend contact mogelijk tussen [de man] en [dochter] met toestemming van hulpverlening. Daaraan wordt uitvoering gegeven door de contactmomenten onder begeleiding van [organisatie] . Ter zitting is gebleken dat partijen hieraan meewerken. Zo is door zowel [de vrouw] als [de man] bevestigd dat op vrijdag 19 december 2025 opnieuw een (begeleid) fysiek contactmoment is gepland tussen [de man] en [dochter] . [de vrouw] heeft de intentie uitgesproken zich te conformeren aan opbouwend contact zo lang dit door de betrokken hulpverleningsinstanties wordt voorgesteld en goedgekeurd. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat [de vrouw] zich hieraan houdt. Op dit moment bestaat daarom geen aanleiding om aan te nemen dat de omgang zal worden opgeschort. Mede gelet daarop en omwille van de betrokken instanties is onvoldoende gebleken dat [de man] de uitkomst van een (nog te voeren) verzoekschriftprocedure bij de bodemrechter omtrent een omgangsregeling niet zou kunnen afwachten. De vorderingen van [de man] , zowel primair als (meer) subsidiair, zullen daarom worden afgewezen.
in conventie en in reconventie
4.12.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
in conventie
5.1.
veroordeelt [de man] om
uiterlijk 60 dagen na betekening van dit vonnishet perceel en de woonwagen aan [adres 1] te [plaats] te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van [de vrouw] zijn, en de sleutels af te geven aan [de vrouw] ;
5.2.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.3.
verklaart dit vonnis voor wat betreft de veroordeling onder 5.1 uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af;
in reconventie
5.5.
wijst af de vorderingen van [de man] ;
in conventie en in reconventie
5.6.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. Luijks en in het openbaar uitgesproken op 30 december 2025.