ECLI:NL:RBZWB:2025:9161

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
22 december 2025
Publicatiedatum
22 december 2025
Zaaknummer
BRE 24/6157
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep inzake aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen door termijnoverschrijding

In deze uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 22 december 2025, wordt het beroep van de belanghebbende, woonachtig in Frankrijk, tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van de Belastingdienst van 22 augustus 2022 behandeld. De belanghebbende had op 13 december 2023 een aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over het jaar 2018 ingediend. De inspecteur had eerder uitspraak gedaan op een bezwaar tegen de aanslag IB/PVV 2018, waardoor de aangifte als beroepschrift werd aangemerkt en naar de rechtbank werd doorgestuurd. De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, omdat het te laat is ingediend. De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt zes weken en eindigde op 3 oktober 2022. De rechtbank heeft vastgesteld dat de aangifte op 13 december 2023 is ontvangen, wat betekent dat deze niet tijdig is ingediend. De rechtbank heeft de belanghebbende in de gelegenheid gesteld om redenen voor de termijnoverschrijding aan te geven, maar er is geen verontschuldiging voor het verzuim gebleken. Hierdoor blijft het bestreden besluit in stand en wordt de inspecteur opgedragen om de aangifte als verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag IB/PVV 2018 in behandeling te nemen. De rechtbank concludeert dat er geen aanleiding is voor een proceskostenveroordeling.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/6157

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 december 2025 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit Frankrijk, belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van belanghebbende tegen de bestreden uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 22 augustus 2022. Belanghebbende heeft op 13 december 2023 een aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over het jaar 2018 ingediend. Aangezien de inspecteur toen al uitspraak had gedaan op een eerder bezwaar tegen de aanslag IB/PVV over het jaar 2018 met [aanslagnummer] , heeft de inspecteur de aangifte aangemerkt als beroepschrift. Deze is door de inspecteur doorgezonden aan de rechtbank, omdat de rechtbank bevoegd is het beroepschrift te behandelen.
1.1.
Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, omdat het beroep te laat is ingesteld en de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is. De rechtbank oordeelt verder dat de inspecteur de aangifte in behandeling moet nemen als een verzoek om ambtshalve vermindering. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Toetsingskader ontvankelijkheid beroep
3. Voor het indienen van een beroepschrift geldt een termijn van zes weken. [1] Deze termijn begint op de dag na de dagtekening van de uitspraak op bezwaar. [2] Maar als de dagtekening een datum is vóór de datum waarop de uitspraak op bezwaar is verzonden, begint deze termijn op de dag na de dag van verzending. Een beroepschrift is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen. [3]
4. Als iemand een beroepschrift te laat indient, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet tijdig indienen van het beroepschrift verontschuldigbaar is. Dan laat de rechtbank niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege. [4]
Is het beroep te laat ingediend?
5. Vast staat dat de dagtekening van de uitspraak op bezwaar 22 augustus 2022 is. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat de verzending ervan later dan die datum heeft plaatsgevonden. De termijn voor het indienen van een beroepschrift eindigde dus op 3 oktober 2022.
6. Het beroepschrift (de aangifte) is door de inspecteur op 13 december 2023 ontvangen. Het beroepschrift is dus niet tijdig ingediend.
Is het te laat indienen verontschuldigbaar?
7. Belanghebbende is bij brieven van 26 september 2024 en 3 december 2024 in de gelegenheid gesteld om redenen aan te geven voor deze termijnoverschrijding. Deze brieven zijn verzonden aan de gemachtigde in de eerdere bezwaarprocedure, aangezien belanghebbende in Frankrijk woont en de rechtbank niet bekend is met het adres van belanghebbende zelf. Uit informatie van PostNL is gebleken dat de aangetekend verzonden brief van 3 december 2024 op 4 december 2024 om 13:11 uur is bezorgd en dat voor ontvangst is getekend. Belanghebbende heeft niet gereageerd. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim gebleken.
Tussenconclusie ontvankelijkheid beroep
8. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt en dat het bestreden besluit in stand blijft.
Aangifte is ook een verzoek om ambtshalve vermindering
9. De inspecteur heeft de aangifte (terecht) doorgestuurd aan de rechtbank als beroepschrift. Echter, vanwege de termijnoverschrijding van de beroepstermijn komt de rechtbank niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van de juistheid van de aanslag IB/PVV 2018. De inspecteur had het bezwaarschrift daarom ook moeten aanmerken als een verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag IB/PVV 2018. De rechtbank zal de inspecteur daarom opdragen om dit alsnog te beoordelen. Dit betekent dat de inspecteur zal beoordelen of de aangifte aanleiding is om de aanslag IB/PVV 2018 ambtshalve te verminderen.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt. De rechtbank draagt de inspecteur op om te beoordelen of aanleiding bestaat voor ambtshalve vermindering van de aanslag IB/PVV 2018. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- draagt de inspecteur op om de aangifte van 13 december 2023 als verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag IB/PVV 2018 in behandeling te nemen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van
R.P.A.G. Dekkers, griffier, op 22 december 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De rechter,
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 6:7 van de Awb.
2.Dit volgt uit artikel 26c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
3.Dit volgt uit artikel 6:9, eerste lid, van de Awb.
4.Dit volgt uit artikel 6:11 van de Awb.