ECLI:NL:RBZWB:2025:9151

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
23 december 2025
Publicatiedatum
22 december 2025
Zaaknummer
02-392032-24, 02-018077-25
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling van een minderjarige voor mishandeling en afpersing met een voorwaardelijke jeugddetentie en werkstraf

Op 23 december 2025 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een minderjarige verdachte, geboren in 2009 in Polen. De verdachte is veroordeeld voor het medeplegen van een straatroof en mishandeling. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte samen met anderen een straatroof heeft gepleegd waarbij geweld is gebruikt om goederen van het slachtoffer, [slachtoffer 1], af te persen. De verdachte heeft [slachtoffer 1] naar een afgelegen plek gelokt, waar hij door medeverdachten is mishandeld en gedwongen zijn kleding en persoonlijke bezittingen af te geven. De rechtbank oordeelt dat de verdachte een onmisbare rol heeft gespeeld in de voorbereiding en uitvoering van de straatroof, ondanks dat zij niet fysiek aanwezig was bij het geweld. Daarnaast is de verdachte ook veroordeeld voor het mishandelen van [slachtoffer 2] door hem in het gezicht te stompen. De rechtbank legt een voorwaardelijke jeugddetentie van één maand op, evenals een werkstraf van 70 uur, en houdt rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, die zich positief heeft ontwikkeld. De benadeelde partij [slachtoffer 1] is niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering tot schadevergoeding, terwijl de vordering van [slachtoffer 2] tot immateriële schadevergoeding van € 850,00 is toegewezen. De rechtbank heeft de beslissing gebaseerd op de artikelen van het Wetboek van Strafrecht die van toepassing zijn op het moment van de feiten.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team jeugd
Zittingsplaats: Breda
parketnummer: 02-392032-24, 02-018077-25 (TTZGEV)
vonnis van de meervoudige kamer van 23 december 2025
in de strafzaak tegen de minderjarige
[verdachte]
geboren op [geboortedag] 2009 te [geboorteplaats] (Polen),
wonende te [adres] ,
raadsman mr. N.P.C.C. Langenberg, advocaat te Breda.

1.Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld met gesloten deuren op de zitting van 9 december 2025, waarbij de officier van justitie, mr. S.A.J. Louwers, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenkingen komen er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte samen met anderen een straatroof heeft gepleegd waarbij met geweld goederen van [slachtoffer 1] zijn afgeperst, dan wel dat zij hierbij behulpzaam is geweest (02-392032-24) en dat verdachte [slachtoffer 2] heeft mishandeld door hem een keer in zijn gezicht te stompen (02-018077-25).

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1
Het standpunt van de officier van justitie
02-392032-24
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met anderen de straatroof heeft gepleegd. Verdachte heeft door [slachtoffer 1] naar een afgelegen plek te lokken en na de straatroof ook weer met de medeverdachten weg te gaan, een dusdanige rol gehad dat sprake is van medeplegen van de straatroof.
02-018077-25
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer 2] eenmaal een vuistslag in het gezicht heeft gegeven, gelet op de bekennende verklaring van verdachte.
4.2
Het standpunt van de verdediging
02-392032-24
De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het primair tenlastegelegde medeplegen van de straatroof nu geen sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachten. Verdachte is niet bij de feitelijke staatroof aanwezig geweest. De subsidiair tenlastegelegde medeplichtigheid aan de straatroof kan wel worden bewezen: verdachte heeft de medeverdachten geholpen bij het uitvoeren van de straatroof door [slachtoffer 1] naar de plaats delict te lokken.
02-018077-25
De verdediging is van mening dat de eenvoudige mishandeling van [slachtoffer 2] wettig en overtuigend kan worden bewezen.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.3.2
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
02-392032-24
Op grond van de bewijsmiddelen staat vast dat op 29 mei 2023 aan de Kleine Bospolder in Kruisland een straatroof heeft plaatsgevonden. Niet ter discussie staat dat verdachte slachtoffer [slachtoffer 1] naar een met medeverdachten afgesproken afgelegen plek heeft gelokt waar [slachtoffer 1] vervolgens door medeverdachten is geslagen, geschopt en is gedwongen om al zijn kleding, met daarin zijn sleutels, bankpas en identiteitsbewijs af te geven. Vast staat tevens dat verdachte is weggerend voordat de feitelijke straatroof is gepleegd.
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld hoe de gedragingen van verdachte gekwalificeerd moeten worden.
Medeplegen?
Voor een bewezenverklaring van medeplegen dient volgens vaste rechtspraak vast komen te staan dat bij het begaan van het strafbare feit sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen. Het accent ligt daarbij op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht. De vraag wanneer de samenwerking zo nauw en bewust is geweest dat sprake is van medeplegen kan niet in algemene zin worden beantwoord, maar vergt een beoordeling van de concrete omstandigheden van het geval. Hierbij dient rekening gehouden te worden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering van de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.
Verdachte heeft over haar eigen rol als volgt verklaard. Verdachte stelt door [medeverdachte 1] onder druk te zijn gezet om [slachtoffer 1] naar een plek te lokken, waar [medeverdachte 1] geld van [slachtoffer 1] wilde afnemen. Verdachte heeft hier uiteindelijk gehoor aan gegeven en [slachtoffer 1] gevraagd om in Kruisland af te spreken, op de locatie die [medeverdachte 1] haar had opgedragen. Vervolgens is verdachte met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in een auto naar de afgesproken plek in Kruisland gereden waar zij zonder [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] op [slachtoffer 1] heeft gewacht. Tijdens het wachten heeft verdachte appcontact met [slachtoffer 1] gehad en heeft zij haar live-locatie met [slachtoffer 1] gedeeld. Nadat [slachtoffer 1] ter plaatse was gekomen is zij met hem naar een aangrenzend beboste plek gelopen, zoals afgesproken met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . Zij hebben [slachtoffer 1] hier vervolgens overvallen, waarna verdachte, zoals afgesproken, is weggerend en bij de auto op hen heeft gewacht. Toen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] weer terug bij de auto aan kwamen, is verdachte met hen samen weggereden en hebben zij haar verteld hoe de straatroof precies is uitgevoerd.
De rechtbank kent veel gewicht toe aan de verklaring van verdachte, omdat haar verklaring op wezenlijke onderdelen steun vindt in de aangifte van [slachtoffer 1] , maar ook omdat verdachte zichzelf belast en concrete verifieerbare informatie over de medeverdachten heeft gedeeld. De rechtbank neemt bij de beoordeling van het bewijs de verklaring van verdachte dan ook als uitgangspunt. Op basis van deze verklaring concludeert de rechtbank dat sprake was van een vooropgezet plan om [slachtoffer 1] geld af te nemen, waarvan verdachte ook vanaf het begin op de hoogte was. Er is een rolverdeling gemaakt waarvan verdachte onderdeel uitmaakte. Verdachte zou [slachtoffer 1] naar een afgelegen plek lokken, zou wegrennen op het moment dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in beeld kwamen en zou bij de auto op [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] wachten. Door aldus te handelen, heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank een onmisbare rol gehad bij de straatroof op [slachtoffer 1] . Zonder verdachte was [slachtoffer 1] niet op de afgelegen plek in Kruisland geweest en had de straatroof niet kunnen plaatsvinden. Verdachte heeft zowel in de voorbereiding als de uitvoering van de straatroof een cruciale rol gespeeld, welke rol van voldoende gewicht is geweest om van een significante bijdrage daaraan te kunnen spreken. Verdachte dient derhalve als medepleger van de straatroof te worden aangemerkt. Dat verdachte niet fysiek bij het toegepaste geweld en de wegneemhandelingen aanwezig was, maakt dit naar het oordeel van de rechtbank niet anders.
Voorts is de rechtbank van oordeel dat verdachte zich bewust is geweest van de aanmerkelijke kans dat geweld zou worden gebruikt bij de straatroof van [slachtoffer 1] en dat zij deze kans heeft aanvaard. Verdachte wist immers dat aangever naar een afgelegen plek werd gelokt en dat hem geld afgenomen zou worden.
Het voorgaande maakt dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen acht dat verdachte samen met anderen [slachtoffer 1] heeft afgeperst. De rechtbank spreekt verdachte partieel vrij van het gebruik van een vuurwapen bij de afpersing, nu het dossier hiervoor slechts één bewijsmiddel bevat en de rechtbank niet de overtuiging heeft dat er een vuurwapen is gebruikt.
02-018077-25
Aangezien verdachte een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). De rechtbank acht het feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:
- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 23 december 2025;
- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] van 30 juni 2024, pagina 10 e.v., van het eindproces-verbaal met dossiernummer PL2000-2024164125.
4.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
02-392032-24
op 29 mei 2023 te Kruisland, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld
[slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van
-kleding,
en
-een sleutelbos,
en
- een creditcard en
- een ID-kaart,
door
- af te spreken met die [slachtoffer 1] op een afgelegen locatie,
en
- met personen op die [slachtoffer 1] af te lopen
,
en
- die [slachtoffer 1] de woorden toe te voegen 'Open je bank-app', 'Kleed je uit', 'Blijf een kwartier zo liggen voordat je gaat', en 'Geen politie anders pakken we je hele familie', althans woorden van gelijke aard en/of strekking,
- en
- die [slachtoffer 1] meermalen, tegen
lichaamsdelen te schoppen en slaan;
02-018077-25
op 20 juni 2024 te Oudenbosch [slachtoffer 2] heeft mishandeld door die [slachtoffer 2] tegen het gezicht te stompen.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die haar strafbaarheid uitsluit.

6.De strafoplegging

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 140 uur waarvan 70 uur voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar. De officier van justitie verzoekt het taakstrafverbod terzijde te schuiven in belang van verdachte.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat kan worden volstaan met het opleggen van een straf conform de eis.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met de ernst van de bewezen verklaarde feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
De ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de mishandeling van [slachtoffer 2] . In een ruzie tussen een vriendin van verdachte en [slachtoffer 2] heeft verdachte gemeend te reageren op agressie vanuit [slachtoffer 2] tegen haar vriendin. Anders dan verdachte zelf misschien dacht, was er geen enkele reden om aan te nemen dat zij voor zichzelf of een ander moest op opkomen. Sprake was van zinloos geweld. Door haar handelen heeft verdachte een grote inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer 2] . Zij heeft zijn neus gebroken waaraan [slachtoffer 2] een ontsierende knik in zijn neus heeft overgehouden. Het geweld van verdachte heeft niet alleen impact gehad op [slachtoffer 2] maar ook op degenen die hiervan, op klaarlichte dag en op een openbare plek, getuige waren. Dit neemt de rechtbank verdachte kwalijk.
Verdachte heeft zich tevens schuldig gemaakt aan het medeplegen van een straatroof op [slachtoffer 1] . Verdachte heeft [slachtoffer 1] , met wie zij bevriend was, bewust naar een afgelegen plek gelokt waar de medeverdachten [slachtoffer 1] vervolgens hebben afgeperst. Zij hebben hem geslagen en al zijn kleren uit laten doen. Vervolgens hebben zij hem gefilmd terwijl hij naakt was en gedwongen werd zijn geslachtsdeel te laten zien. Dit filmpje is vervolgens ook nog eens gedeeld met anderen. [slachtoffer 1] was compleet overgeleverd aan de grillen van de medeverdachten. Hij is vernederd, had te ondergaan wat zij met hem van plan waren en is daarna hulpeloos achtergelaten op een afgelaten plek. Verdachte heeft met haar handelen misbruik gemaakt van het vertrouwen dat [slachtoffer 1] in haar had. Het vertrouwen dat [slachtoffer 1] in haar als vriendin had mogen hebben is volledig geschaad. Verdachte heeft met haar handelen ook inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer en lichamelijke integriteit van [slachtoffer 1] en zijn gevoel van veiligheid op de openbare weg aangetast. Hoewel verdachte niet fysiek aanwezig was bij de afpersing heeft zijn met haar handelen een onmisbare rol gehad in de straatroof met alle gevolgen van dien voor [slachtoffer 1] en dat neemt de rechtbank haar zeer kwalijk.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte, waaruit volgt dat zij niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Artikel 63 Sr is van toepassing omdat verdachte op 9 januari 2024 een strafbeschikking heeft gehad voor overtreding van de Leerplichtwet. De rechtbank zal hier, zij het in beperkte mate, rekening mee houden.
Uit het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) van 18 november 2025 en hetgeen door de vertegenwoordiger van de Raad ter zitting is aangevoerd volgt onder meer dat er veel zorgen over verdachte zijn geweest, maar dat zij zich in het afgelopen jaar met behulp van de jeugdreclassering en de inzet van multisysteem therapie (MST) positief heeft ontwikkeld. Verdachte heeft afstand genomen van vrienden die een negatieve invloed op haar hadden, de onderlinge relatie met haar moeder is verbeterd en verdachte richt zich op haar toekomst. Het dynamisch risicoprofiel wordt ingeschat als laag en er zijn overwegend beschermende factoren. Gelet hierop, alsmede gelet op het tijdsverloop en het feit dat verdachte niet meer met politie en justitie in aanraking is gekomen, adviseert de Raad om aan verdachte een (deels) voorwaardelijke werkstraf op te leggen, met een proeftijd van twee jaar. De Raad meent dat verdachte hiermee de consequenties van het forse geweldsdelict voldoende zal ervaren.
De op te leggen straf
Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank, naast het hiervoor genoemde, ook gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd en naar de LOVS-oriëntatiepunten voor de straftoemeting voor minderjarigen.
Alles afwegend acht de rechtbank één maand jeugddetentie voorwaardelijk met een proeftijd van één jaar en een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 70 uren passend en geboden. De rechtbank komt uit op een andere straf dan geëist, omdat zij niet komt tot bewezenverklaring van het gebruik van een vuurwapen. De rechtbank ziet vanwege de ernst van het feit geen aanleiding om af te wijken van het taakstrafverbod. Gelet op de positieve ontwikkeling van verdachte acht de rechtbank evenwel een lagere proeftijd passend.

7.De benadeelde partij

02-392032-24
De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert een schadevergoeding van € 31.712,75, bestaande uit € 30.000,00 immateriële schade en € 1.712,75 materiele schade.
De rechtbank stelt vast dat de feiten en omstandigheden die tot toewijzing van het gevorderde bedrag zouden kunnen leiden niet voldoende vast staan nu de schade niet is onderbouwd. Verdere beoordeling van de vordering levert naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding op, zodat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in zijn vordering zal worden verklaard. De vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
02-018077-25
Immateriële schade
De benadeelde partij [slachtoffer 2] vordert een schadevergoeding van € 850,00, bestaande uit immateriële schade.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
De door de benadeelde gevorderde immateriële schadevergoeding acht de rechtbank toewijsbaar. Deze schade is voldoende onderbouwd. Ook staat deze schade in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit. De gevorderde wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf het moment dat de schade is ontstaan, te weten 20 juni 2024.
De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag in die zin dat het CJIB de inning ervan zal verzorgen. Gelet op de toepassing van het jeugdstrafrecht zal de duur van de gijzeling op 0 dagen worden vastgesteld.
Proceskosten
De benadeelde partij vordert eveneens vergoeding van proceskosten van € 270,00. Namens de benadeelde partij is ter zitting aangevoerd dat de benadeelde partij voor rechtsbijstand is verzekerd en dat hierdoor de proceskosten voorwaardelijk worden gedekt. De rechtbank heeft hier vragen over waarvoor beantwoording nader onderzoek vereist. Verdere behandeling van dit deel van de vordering levert naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding op, zodat de benadeelde partij voor dit deel niet-ontvankelijk in zijn vordering zal worden verklaard. Dit deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

8.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 47, 36f, 63, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 300 en 317 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9.De beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
02-392032-24 primair: afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of
meer verenigde personen
02-018077-25: mishandeling
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een
jeugddetentie van één maand voorwaardelijkmet een proeftijd van één jaar;
- bepaalt dat deze jeugddetentie niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd na te melden voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt als
algemene voorwaardedat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- veroordeelt verdachte daarnaast tot een
werkstraf van 70 uren;
- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht,
vervangende jeugddetentiezal worden toegepast van
35 dagen;
Benadeelde partijen
- verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] (02-392032-24) niet-ontvankelijk in zijn vordering en bepaalt dat de vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij
[slachtoffer 2](02-018077-25) van € 850,00, aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 20 juni 2024 tot aan de dag der voldoening;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer
[slachtoffer 2] € 850,00te betalen, bestaande uit immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 20 juni 2024 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling
0 dagengijzeling kan worden toegepast;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.
-verklaart de benadeelde partij in het gedeelte van de vordering dat ziet op proceskosten niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.
Dit vonnis is gewezen door mr. De Jong, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. Prenger en mr. Van der Hoeven, rechters, in tegenwoordigheid van Van Dijke, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 23 december 2025.
De oudste en jongste rechter zijn niet in de gelegenheid om dit vonnis te ondertekenen.