ECLI:NL:RBZWB:2025:9114

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
22 december 2025
Publicatiedatum
22 december 2025
Zaaknummer
25/2829
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak inzake vergoeding kosten leerlingenvervoer voor een kind met autismespectrumstoornis

In deze tussenuitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant, gedateerd 22 december 2025, staat de aanvraag van eiseres centraal voor een vergoeding van de kosten van leerlingenvervoer voor haar dochter, die gediagnosticeerd is met een autismespectrumstoornis. Eiseres had op 16 december 2024 een aanvraag ingediend voor het schooljaar 2024-2025, maar het college van burgemeester en wethouders van Tilburg heeft deze aanvraag op 2 januari 2025 afgewezen, omdat de afstand tussen de woning en de school minder dan zes kilometer zou zijn. Eiseres heeft bezwaar gemaakt, waarop het college in een beslissing op bezwaar van 25 april 2025 het bezwaar gegrond verklaarde, maar slechts een vergoeding voor de kosten van openbaar vervoer toekende, en de aanvraag voor taxivervoer afwees.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen deze beslissing, waarbij zij aanvoert dat haar dochter ten onrechte niet in aanmerking komt voor taxivervoer. De rechtbank heeft op 11 november 2025 de zaak behandeld, waarbij eiseres aanwezig was en het college vertegenwoordigd werd door [naam] en mr. I.K.P. Romers. De rechtbank concludeert dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eiseres niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 12 van de Verordening leerlingenvervoer. De rechtbank wijst op een motiverings- en zorgvuldigheidsgebrek in het bestreden besluit en geeft het college de gelegenheid om dit gebrek te herstellen door advies van een onafhankelijke deskundige in te winnen. De rechtbank stelt een termijn van zes weken voor het herstel en houdt verdere beslissingen aan tot de einduitspraak.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/2829 T
tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 december 2025 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg, het college.

Procesverloop

1. Eiseres heeft op 16 december 2024 een vergoeding aangevraagd voor de kosten van leerlingenvervoer voor haar [dochter] , die gediagnosticeerd is met een autismespectrumstoornis. De aanvraag ziet op het schooljaar 2024-2025.
1.1.
Het college heeft op 2 januari 2025 de aanvraag afgewezen. [1] Het college stelt namelijk dat de afstand tussen de woning van eiseres en de school van [dochter] minder is dan zes kilometer (het primaire besluit). Eiseres komt daarmee niet in aanmerking voor een vergoeding van de kosten van leerlingenvervoer voor het schooljaar 2024-2025.
1.2.
Eiseres heeft hier bezwaar tegen gemaakt .
1.3.
In de beslissing op bezwaar van 25 april 2025 heeft het college het bezwaar gegrond verklaard (het bestreden besluit). Het college kent eiseres in het bestreden besluit toch een reiskostenvergoeding toe gelijk aan de kosten van het openbaar vervoer voor [dochter] en haar begeleider. [2] Het college blijft erbij dat eiseres voor een vergoeding van de kosten van taxivervoer niet in aanmerking komt. [3]
1.4.
Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld.
1.5.
Het college heeft hierop gereageerd met een verweerschrift.
1.6.
De rechtbank heeft het beroep op 11 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft eiseres deelgenomen. Namens het college waren [naam] en mr. I.K.P. Romers op de zitting aanwezig.
Beroepsgronden
2. Eiseres is van mening dat [dochter] ten onrechte niet in aanmerking komt voor een vergoeding van de kosten van taxivervoer. Ze stelt namelijk dat voldaan wordt aan voorwaarde c dan wel voorwaarde d van artikel 12, eerste lid, van de Verordening. Mocht de rechtbank daar niet in meegaan, dan vindt eiseres dat ze taxikosten vergoed moet krijgen op basis van de hardheidsclausule uit de Verordening of wegens strijd met het evenredigheidsbeginsel.
2.1.
Daarnaast voert eiseres aan dat de vergoeding van de kosten van leerlingenvervoer ten onrechte alleen de reiskosten van [dochter] dekt. Er wordt met de hoogte van de vergoeding geen rekening gehouden met het feit dat haar andere dochter door de situatie met [dochter] elke ochtend naar de voorschoolse opvang moet.
2.2.
Tot slot meent eiseres dat er consequenties verbonden moeten worden aan het feit dat het bestreden besluit buiten de wettelijke beslistermijn genomen is.
Omvang van het geding
3. Niet in geschil is dat eiseres in aanmerking komt voor een vergoeding van de kosten van leerlingenvervoer op basis van de kosten van het openbaar vervoer voor [dochter] en haar begeleider. Het beroep ziet daarom alleen op de afwijzing van de aanvraag van eiseres om vergoeding van de kosten van taxivervoer.

Overwegingen

Motiverings- en zorgvuldigheidsgebrek
4. In het bestreden besluit staat dat eiseres niet in aanmerking komt voor de vergoeding van taxivervoer, omdat eiseres niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 12 van de Verordening. Op basis van deze bepaling [4] verstrekt het college een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer aan eiseres, indien [dochter] , naar het oordeel van het college, gelet op haar structurele lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke en/of psychische handicap niet in staat is – ook niet onder begeleiding – van openbaar vervoer gebruik te maken. De rechtbank is van oordeel dat het college in het bestreden besluit, in het verweerschrift en op zitting onvoldoende heeft gemotiveerd waarom artikel 12, eerste lid, onder d, van de Verordening niet van toepassing is.
4.1.
Tot dusver heeft het college aangevoerd dat eiseres niet met verifieerbare bewijsstukken heeft onderbouwd waarom artikel 12, eerste lid, onder d, van de Verordening van toepassing is. Het college stelt dat het uit het door eiseres aangeleverde psychologisch onderzoek uit 2023 niet opmaakt dat [dochter] dermate overprikkeld raakt van reizen met het openbaar vervoer dat dit leidt tot een onhoudbare situatie. Het college merkt daarbij op dat het als tegemoetkoming aan eiseres ook een vergoeding van de kosten voor het openbaar vervoer van [dochter] ’ begeleider heeft toegekend. Het is aan de begeleider om de rust bij [dochter] te bewaren. Het college heeft bovendien aangevoerd dat het alternatief van het reizen met het openbaar vervoer, namelijk taxivervoer, ook veel prikkels veroorzaakt. [dochter] moet dan een taxi met andere kinderen delen en de taxi kan in de file komen.
4.2.
De rechtbank stelt vast dat volgens de toelichting op artikel 12, eerste lid, onder d, van de Verordening voor de toepassing van deze bepaling de vraag centraal staat of de leerling, door zijn handicap, al dan niet zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik kan maken. Volgens deze toelichting biedt de toelichting op artikel 11, onder het kopje ‘Structurele handicap’ aanknopingspunten om deze vraag te beantwoorden. Onder dit kopje staat onder meer dat ouders bij de aanvraag verklaringen van deskundigen dienen te overleggen. Ook het college kan advies van onafhankelijke deskundigen inwinnen. Hiervoor wordt verwezen naar de toelichting op artikel 9. Daaruit volgt dat de gemeente (lees: het college) zo nodig op eigen kosten zelf advies kan inwinnen bij de door haar gecontracteerde sociaal-medische adviesdienst als het advies onduidelijk of onvolledig is.
4.3.
Eiseres heeft bij de aanvraag een psychologisch onderzoek uit 2023 en bij het bezwaarschrift een verklaring van de begeleider van [dochter] vanuit [stichting] overgelegd. Het college heeft zich, zoals blijkt uit r.o. 4.1., op het standpunt gesteld dat dit onduidelijk of onvolledig is. Dit standpunt is naar het oordeel van de rechtbank enkel gebaseerd op eigen aannames en het college heeft hierover geen advies van een onafhankelijk deskundige ingewonnen. Gelet op de hiervoor onder r.o. 4.2. besproken toelichting op de Verordening had het wel op de weg gelegen van het college om hiertoe over te gaan. De rechtbank constateert op dit punt dan ook een motiverings- en zorgvuldigheidsgebrek. Om dit gebrek te herstellen dient het college daarom zelf advies van een onafhankelijke deskundige in te winnen. De rechtbank geeft het college hiervoor een termijn van zes weken.

Conclusie en gevolgen

5. Zoals hiervoor is overwogen onder r.o. 4 – 4.3. kent het bestreden besluit een motiverings- en zorgvuldigheidsgebrek. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om het college in de gelegenheid te stellen de gebreken te herstellen. Dat herstellen kan hetzij met een aanvullende motivering, hetzij, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen het college de gebreken kan herstellen op zes weken na verzending van deze tussenuitspraak.
5.1.
Het college moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid de gebreken te herstellen. Als het college gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiseres in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van het college. In beginsel, ook in de situatie dat het college de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.
5.2.
Het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, blijft in beginsel beperkt tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in de tussenuitspraak, omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde wordt geacht. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 12 juni 2013 [5] .
5.3.
De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:
- draagt het college op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;
- stelt het college in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.I. van Term, rechter, in aanwezigheid van mr. T.J. Janzing, griffier, op 22 december 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving (voor zover relevant)
Verordening leerlingenvervoer gemeente Tilburg 2020

Artikel 12

1. Het college verstrekt een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer aan de ouders van de leerling die een school zoals bedoeld onder artikel 9 bezoekt, indien:
a. aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in de artikelen 10 of 11 en de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer naar school of terug, meer dan anderhalf uur onderweg is en de reistijd met aangepast vervoer tot 50% of minder van de reistijd per openbaar vervoer kan worden teruggebracht;
b. aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in de artikelen 10 of 11 en openbaar vervoer ontbreekt, tenzij de leerling naar het oordeel van het college al dan niet onder begeleiding gebruik kan maken van het vervoer per fiets;
c. aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in artikel 11 en door de ouders ten behoeve van het college genoegzaam wordt aangetoond dat begeleiding van de leerling door henzelf of anderen onmogelijk is dan wel tot ernstige benadeling van het gezin zal leiden en een andere oplossing niet mogelijk is; of
d. de leerling, naar het oordeel van het college, gelet op zijn structurele lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke en/of psychische handicap niet in staat is – ook niet onder begeleiding –van openbaar vervoer gebruik te maken.
2. Indien begeleiding in het aangepast vervoer vereist is, vergoedt het college geen andere kosten dan de vervoerskosten welke verbonden zijn aan de begeleiding van de leerling in het aangepast vervoer.
Toelichting op de Verordening leerlingenvervoer gemeente Tilburg 2020

Artikel 9

[…]
Adviezen van deskundigen
Om te kunnen beoordelen of een leerling in aanmerking komt voor een vervoersvoorziening en, als dat het geval is, voor welk type voorziening de leerling dan in aanmerking komt, is in een aantal gevallen advies van deskundigen ter zake nodig. Het zal dan veelal gaan om de vraag of een leerling door zijn handicap in het geheel niet van openbaar vervoer gebruik kan maken, of alleen onder begeleiding daarvan gebruik kan maken, of wellicht – al dan niet onder begeleiding – naar school kan fietsen.
Adviezen kunnen worden gegeven door:
- de commissie voor de begeleiding, ingesteld door een of meer scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs van cluster 3 en cluster 4;
- de commissie van onderzoek, ingesteld door een of meer instellingen van cluster 1 en cluster 2;
- de ambulante begeleider van de leerling;
- de directeur van de school;
- het samenwerkingsverband.
Als de genoemde personen en instanties geen advies ten aanzien van het vervoer hebben gegeven, of als het advies onduidelijk of onvolledig is, kan de gemeente zo nodig zelf advies inwinnen bij de door haar gecontracteerde sociaal-medische adviesdienst.
De kosten hiervan komen voor rekening van de gemeente.
Om een zo objectief mogelijk advies te verkrijgen is het van belang gerichte vragen te stellen en te verzoeken de antwoorden te motiveren. Wanneer advies nodig is over deelaspecten van het vervoer – bijvoorbeeld over de vraag of de route veilig is - kan dit worden ingewonnen bij deskundigen op het terrein van het desbetreffende deelaspect, bijvoorbeeld de (verkeers)politie.

Artikel 11

[…]
Structurele handicap
Ouders van leerlingen die door hun structurele handicap niet zelfstandig met het openbaar vervoer kunnen reizen, komen in aanmerking voor bekostiging van de vervoerskosten voor de leerling én een begeleider, ongeacht de afstand van de woning naar de school. De vraag of een leerling al dan niet als gehandicapt valt aan te merken is hierbij niet van belang. Het gaat om de vraag of de leerling, door zijn handicap, al dan niet zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik kan maken. Zo zijn er situaties denkbaar waarbij een leerling met een bepaalde structurele handicap wel degelijk zelfstandig met het openbaar vervoer kan reizen. Een gewenningsperiode zal dan meestal noodzakelijk zijn, waarbij de leerling de gelegenheid krijgt de weg te leren kennen, om leert gaan met de OV-chipkaart en dergelijke. Bij de aanvraag dienen ouders verklaringen van deskundigen te overleggen. Het college kan ook advies van onafhankelijke deskundigen inwinnen. Zie de toelichting op artikel 9.
Wanneer er sprake is van een tijdelijke handicap (bijvoorbeeld een gebroken been) valt het vervoer van de leerling onder de verantwoordelijkheid van de ouders. Echter, wanneer de leerling een groot gedeelte van het schooljaar in verband met – bijvoorbeeld - herstel van een operatie en/of revalidatie niet of niet zelfstandig met het openbaar vervoer kan reizen, kunnen ouders een aanvraag voor een vervoersvoorziening indienen. Als criterium kan een termijn van drie maanden worden aangehouden. Toen de Wet Rea nog van kracht was werd ook een termijn van drie maanden aangehouden vóórdat er sprake kon zijn van een vervoersvergoeding.
[…]

Artikel 12

[…]
Eerste lid, onderdeel d: Leerling kan door zijn handicap niet van het openbaar vervoer gebruik maken
Als de leerling door zijn structurele handicap niet in staat is, zelfs niet onder begeleiding, van het openbaar vervoer gebruik te maken, verstrekt het college een voorziening in de vorm van aangepast vervoer. De vraag of een leerling al dan niet als gehandicapt valt aan te merken is hierbij niet van belang. Het gaat om de vraag of de leerling, door zijn handicap, al dan niet zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik kan maken. Zie verder de toelichting op artikel 11, onder het kopje ‘Structurele handicap’.
[…]

Voetnoten

1.Op grond van artikel 10 van de Verordening leerlingenvervoer gemeente Tilburg 2020 (de Verordening) in samenhang met artikel 4.1 van de Beleidsregels Leerlingenvervoer Gemeente Tilburg 2021 (de Beleidsregels).
2.Op grond van artikel 10 en artikel 11, eerste lid en onder b, van de Verordening.
3.Volgens het college wordt namelijk niet voldaan aan één van de voorwaarden uit artikel 12, eerste lid, van de Verordening.
4.In het bijzonder volgens het eerste lid, aanhef en onder d.
5.Zie de uitspraak van de Afdeling van 12 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA2877.