ECLI:NL:RBZWB:2025:9111
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening inzake aanlijn- en muilkorfgebod voor hond na bijtincident
In deze zaak heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 22 december 2025 uitspraak gedaan in een verzoek om een voorlopige voorziening. Verzoeker, eigenaar van een hond, had bezwaar gemaakt tegen een besluit van de burgemeester van Tilburg, dat zijn hond als gevaarlijk had aangemerkt en een aanlijn- en muilkorfgebod had opgelegd. Verzoeker stelde dat de hond, die vijftien maanden oud is, in een belangrijke ontwikkelingsfase verkeert en dat het dragen van een muilkorf het leerproces ernstig belemmert. Hij voerde aan dat de opgelegde maatregelen stress en frustratie bij de hond veroorzaken, wat zijn gedrag kan verergeren.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de door verzoeker aangevoerde omstandigheden niet voldoende waren om aan te nemen dat er sprake was van een spoedeisende situatie die het treffen van een voorlopige voorziening noodzakelijk maakte. De rechter stelde vast dat verzoeker niet had aangetoond dat de hond niet voldoende beweging kon krijgen met inachtneming van het aanlijn- en muilkorfgebod. Bovendien was de stelling dat de maatregelen ernstige gevolgen voor het welzijn van de hond hadden, niet onderbouwd. De voorzieningenrechter concludeerde dat het verzoek om een voorlopige voorziening moest worden afgewezen, omdat het spoedeisend belang ontbrak.
De uitspraak werd gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, in aanwezigheid van griffier mr. S. Constant. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.