Op 20 juli 2025 pleegden verdachte en twee medeverdachten een gezamenlijke woninginbraak in een woning te Bergen op Zoom. De inbraak werd ontdekt door de bewoonster via camerabeelden, waarna de politie de drie verdachten kort daarna in de directe omgeving aanhield. Er werd contant geld, een zilveren ketting en een sleutelbos weggenomen. Verdachte werd vrijgesproken van een poging tot inbraak in een naastgelegen woning, omdat onvoldoende bewijs bestond dat hij daarbij betrokken was.
De rechtbank achtte de bewijsmiddelen, waaronder camerabeelden, verklaringen van het slachtoffer en haar vader, en de vondst van inbrekerswerktuigen en een rugzak, overtuigend. De verdediging voerde aan dat de kleding op de beelden niet overeenkwam met die van verdachte, maar dit werd door de rechtbank verworpen.
Verdachte had een strafblad met soortgelijke feiten en liep op het moment van de inbraak in een proeftijd. Het reclasseringsadvies wees op een langdurig delictpatroon en beperkte intrinsieke motivatie, waarbij externe sturing via elektronische monitoring (EM) noodzakelijk was. De rechtbank legde een gevangenisstraf van acht maanden op, met aftrek van voorarrest, en wees een voorwaardelijk strafdeel af. Tevens werd beslag op 385 euro teruggegeven aan het slachtoffer en werden eerdere voorwaardelijke straffen ten uitvoer gelegd.