Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 december 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
Procesverloop
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
Overwegingen
De verzekeringsarts b&b stelt dat het klachtenpatroon op de datum in geding afwijkt van het latere klachtenpatroon waarop de diagnose fibromyalgie is gebaseerd en dat daarom niet wordt voldaan aan de diagnostische criteria voor fibromyalgie. Bij lichamelijk onderzoek door de primaire verzekeringsarts zijn geen bijzonderheden of evidente bewegingsbeperkingen waargenomen aan de rechterarm, -hand en schouders. De verzekeringsarts b&b wijst er bovendien op dat fibromyalgie weliswaar gepaard kan gaan met spier- en gewrichtspijnen, maar dat deze aandoening geen contra-indicatie is voor normale belasting van het houdings- en bewegingsapparaat en niet leidt tot absolute bewegingsbeperkingen. Volgens de verzekeringsarts b&b wordt bewegen in het algemeen juist aangeraden.
Volgens eiser had de diagnose fibromyalgie dan ook in maart 2023 gesteld kunnen worden. Daarnaast vloeien hier volgens eiser wel degelijk (arbeids)beperkingen uit voort, zoals gedoseerd bewegen en het vermijden van repetitieve handelingen in verband met de chronische pijnklachten. De chronische pijnklachten zorgen volgens eiser bovendien ook voor vermoeidheid, concentratieproblemen, slaapproblemen en gevoeligheid voor stress.
Verder stelt de verzekeringsarts b&b dat de mate van depressie, conform DSM-V, wordt bepaald aan de hand van het aantal aanwezige symptomen en dat een diagnose en/of classificatie op zichzelf niet bepalend is voor het vaststellen van de belastbaarheid. Een diagnose geeft richting aan de aard en ernst van de beperkingen waarbij de belastbaarheid per individu en per datum in geding beoordeeld moet worden. De primaire verzekeringsarts was daarbij op de hoogte van de door de psychiater vastgestelde mate van de depressie, nu medische informatie is opgevraagd bij de behandelend psychiater en betrokken bij de beoordeling.
Conclusie en gevolgen
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt het UWV op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak en de tussenuitspraak;
- draagt het UWV op het betaalde griffierecht van € 51,- aan eiser te vergoeden;
- veroordeelt het UWV in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.267,50.