ECLI:NL:RBZWB:2025:9069

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
15 december 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
C/02/441569 FA RK 25-5684
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling voorlopige voorzieningen in een echtscheidingsprocedure met betrekking tot kinder- en partneralimentatie

In deze zaak heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 15 december 2025 uitspraak gedaan in een rekestprocedure betreffende voorlopige voorzieningen in het kader van een echtscheidingsprocedure. De man en de vrouw, die in 2019 in Gambia zijn getrouwd, hebben een minderjarig kind. De man verzoekt om voorlopige toevertrouwing van het kind aan hem en een zorgregeling, terwijl de vrouw verzoekt om toevertrouwing aan haar en een partneralimentatie van € 1.800 per maand. De rechtbank heeft de zaak behandeld op 20 november 2025, waarbij beide partijen en hun advocaten aanwezig waren. De rechtbank heeft vastgesteld dat de vrouw de hoofdzorg voor het kind heeft gehad en dat het in het belang van het kind is om bij haar te blijven. De rechtbank heeft de man verzocht om bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van het kind met € 403 per maand, ingaande op 20 november 2025. De rechtbank heeft ook een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming gelast om de situatie verder te beoordelen. De verzoeken van de man tot toevertrouwing van het kind aan hem en de zorgregeling zijn afgewezen, terwijl de verzoeken van de vrouw zijn toegewezen. De rechtbank heeft benadrukt dat de vrouw niet zonder toestemming met het kind mag verhuizen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Middelburg
Zaaknummer: C/02/441569 / FA RK 25-5684
datum uitspraak: 15 december 2025
beschikking betreffende voorlopige voorzieningen
in de zaak van
[de man],
briefadres in [plaats 1] , feitelijk verblijvende in [plaats 2] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. E. Sijnesael te Middelburg,
en
[de vrouw],
briefadres in [plaats 1] , feitelijk verblijvende in [plaats 3] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. R. Wouters te Middelburg.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: - de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over de verzoeken aangaande de minderjarige te adviseren.
1. Het procesverloop
1.1. Dit blijkt uit de volgende stukken:
- het op 5 november 2025 ontvangen verzoekschrift tot het treffen van voorlopige voorzieningen met bijlagen;
- het F-formulier van mr. Sijnesael van 10 november 2025 met bijlage;
- het op 14 november 2025 ontvangen verweerschrift tevens zelfstandige verzoeken met bijlagen;
- het op 18 november 2025 ontvangen verweerschrift tegen zelfstandige verzoeken, tevens (voorwaardelijke) wijziging van het verzoekschrift tot het treffen van voorlopige voorzieningen met bijlagen;
- de door mr. Sijnesael tijdens na te noemen zitting - op verzoek van de rechtbank en met instemming van de wederpartij - in het geding gebrachte productie;
- de door mr. Wouters tijdens na te noemen ter zitting overgelegde, maar niet voorgedragen pleitnotitie met bijlagen.
1.2. De zaak is behandeld op de zitting van 20 november 2025. Bij die gelegenheid zijn verschenen de man, bijgestaan door zijn advocaat en de vrouw, bijgestaan door haar advocaat en (voor een gedeelte van de zitting) een tolk in de Engelse taal. Tevens was aanwezig een vertegenwoordigster van de Raad. Tijdens de zitting was met toestemming van alle aanwezigen ook aanwezig de heer [naam] , mediator, in verband met de pilot “piketmediator op zitting” bij deze rechtbank.
1.3. Na de zitting zijn de volgende stukken ontvangen:
- de brief van mr. Sijnesael van 21 november 2025 met bijlage;
- het F-formulier van mr. Sijnesael van 24 november 2025;
- het F-formulier van mr. Wouters van 25 november 2025.

2.De feiten

2.1.
Partijen zijn op [datum] 2019 te [plaats 4] ( Gambia ) met elkaar gehuwd.
2.2.
Partijen hebben het volgend nu nog minderjarige kind:
- [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2019 te [geboorteplaats] ( [land] ).
2.3.
Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.4.
[minderjarige] verblijft bij de vrouw.
2.5.
De man heeft de Nederlandse nationaliteit. De vrouw heeft de Senegalese nationaliteit.
2.6.
Tussen partijen is sinds 5 november 2025 een echtscheidingsprocedure aanhangig (bekend onder zaaknummer C/02/441578 / FA RK 25-5689).
2.7.
Tussen partijen is een kort gedingprocedure aanhangig geweest. Tijdens de kort gedingzitting op 6 november 2025 hebben partijen de volgende afspraken gemaakt geldend voor de periode tussen 6 november 2025 en de zitting in deze voorlopige voorzieningenprocedure, inhoudende dat:
- de vrouw in een bungalow op [camping] verblijft;
- [minderjarige] in deze twee weken (omdat de man nog moest werken) bij de vrouw verblijft;
- de vrouw zal ervoor zorgen dat [minderjarige] zo snel mogelijk weer naar school gaat;
- de man iedere maandag, woensdag en vrijdag [minderjarige] naar school brengt en haar op school ophaalt;
- de man iedere woensdag van na school tot na het avondeten voor [minderjarige] zorgt;
- de man de kosten van de bungalow van de vrouw voldoet;
- de man een bedrag van € 100,= per week aan de vrouw voldoet ten behoeve van de kosten van de huishouding en [minderjarige] ;
- de komende periode zal er twee keer extra omgang zijn tussen de man en [minderjarige] op woensdag na school tot na het avondeten, waarbij de man zorgt dat [minderjarige] om 19:00 uur weer bij de vrouw terug is.

3.De verzoeken

3.1.
De man verzoekt nu, na wijziging, bij wege van voorlopige voorzieningen:
I. de minderjarige [minderjarige] voorlopig (voor de duur van het echtscheidingsgeding) aan de man toe te vertrouwen;
II. een voorlopige zorgregeling tussen de vrouw en [minderjarige] vast te stellen waarbij de vrouw iedere veertien dagen gedurende een weekend de zorg voor [minderjarige] heeft van vrijdag na school tot zondagavond 19.00 uur;
III. voorwaardelijk, indien [minderjarige] aan de vrouw wordt toevertrouwd, te bepalen dat partijen volgens een week-op-week-af-regeling voor [minderjarige] zorgen, waarbij [minderjarige] iedere maandag na school van verblijfplaats wisselt;
IV. deze beschikking, voor zover mogelijk, uitvoerbaar bij voorraad te verklaren;
V. kosten rechtens.
3.2.
De vrouw voert verweer tegen de verzoeken van de man en vraagt de rechtbank deze verzoeken af te wijzen.
Bij wege van zelfstandig verzoek verzoekt de vrouw bij beschikking en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te bepalen dat:
het kind van partijen wordt toevertrouwd aan de vrouw;
de man zal bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van het kind met een bedrag van € 600,= per maand, bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen met ingang van 1 november 2025;
de man ten behoeve van de vrouw een partneralimentatie zal voldoen van € 1.800,= per maand, bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen met ingang van 1 november 2025.
3.3.
De man voert verweer tegen de zelfstandige verzoeken van de vrouw en vraagt de rechtbank deze verzoeken af te wijzen.
3.4.
Op de standpunten van partijen wordt, voor zover van belang voor de beoordeling van de verzoeken, hierna ingegaan.

4.De beoordeling

Internationale bevoegdheid en toepasselijk recht
4.1.
Vanwege de Senegalese nationaliteit van de vrouw en de huwelijksplaats van partijen
heeft de zaak internationaal privaatrechtelijke aspecten. De rechtbank heeft die ambtshalve
beoordeeld. De rechtbank is van oordeel dat zij internationaal bevoegd is en dat zij naar
Nederlands recht dient te beslissen op de verzoeken. Dit is tussen partijen ook niet in geschil.
Mediation
4.2.
Na bespreking van de voorliggende verzoeken op de zitting hebben partijen zich bereid verklaard om over de verzoeken gesprekken aan te gaan met de piketmediator. De rechtbank heeft partijen vervolgens verwezen voor deze bemiddeling en de beslissing op de verzoeken aangehouden in afwachting van bericht van de piketmediator en van de advocaten van partijen over het resultaat van de bemiddeling en de wijze waarop de zaak verder moet worden afgedaan.
4.3.
Uit voornoemde F-formulieren van mr. Sijnesael en mr. Wouters van respectievelijk 24 en 25 november 2025 en het door de rechtbank van het mediationbureau ontvangen
e-mailbericht van 26 november 2025 is de rechtbank gebleken dat de piketmediation na één gesprek zonder resultaat is beëindigd. De rechtbank zal de verzoeken van partijen hierna dan ook inhoudelijk beoordelen en daarop een beslissing nemen.
Inhoudelijke beoordeling van de verzoeken
Toevertrouwing minderjarige
4.4.
Beide partijen hebben verzocht om [minderjarige] aan hem of haar toe te vertrouwen. De man voert hiertoe aan dat hij, naast een passende plek voor [minderjarige] , ook de mogelijkheid heeft om [minderjarige] een veilige en stabiele opvoedsituatie te bieden. De man is degene die [minderjarige] altijd verzorgde, naar school bracht, haar weer ophaalde en bijvoorbeeld voorlas. De man is bovendien in staat om [minderjarige] buiten de discussie van partijen te houden en haar onbelast contact met de vrouw te laten onderhouden. Andersom is dit voor de vrouw niet mogelijk. De vrouw wil met [minderjarige] naar [plaats 5] verhuizen en probeert de man buiten spel te zetten door zich negatief over hem uit te laten tegenover [minderjarige] . Bij de man bestaat de gegronde vrees dat bij voorlopige toevertrouwing van [minderjarige] aan de vrouw, hij en [minderjarige] verstoken raken van contact met elkaar. Dit moet worden voorkomen. De man heeft zich sinds 13 november jl. vanwege lichamelijke klachten ziek gemeld op zijn werk en is dus voltijds beschikbaar voor [minderjarige] .
4.5.
De vrouw heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Zij stelt staande het huwelijk van partijen altijd de hoofdzorg voor [minderjarige] te hebben gehad en dit ook nu nog te hebben. De man heeft alles in het werk gesteld om samen met [minderjarige] naar Gambia te vertrekken. De vrouw heeft daar echter geen toestemming voor gegeven. De man probeert nu met procedures zijn zin door te drijven. [minderjarige] woont al haar hele leven bij de vrouw en is aan de vrouw gehecht. De vrouw wenst met [minderjarige] naar [plaats 5] te verhuizen. In eerste instantie stemde de man in met de voorgenomen verhuizing van de vrouw met [minderjarige] , maar onlangs heeft de man aangegeven daarvoor geen toestemming meer te geven. De man probeert door zijn toestemming in te trekken het hoofdverblijf van [minderjarige] bij hem te krijgen en de vrouw volledig buiten spel te zetten. Toevertrouwing van [minderjarige] aan de man is ook geen optie, omdat de man geen stabiele woonsituatie heeft. Het verblijf van de man op de camping in [plaats 2] is illegaal. Dit terwijl de vrouw de komende maanden met [minderjarige] in haar huidige vakantiewoning kan verblijven, welke woning conform de door partijen in kort geding gemaakte afspraken door de man wordt betaald.
4.6.
De rechtbank overweegt als volgt. Uit hetgeen partijen tijdens de zitting hebben toegelicht blijkt dat de man in ieder geval tijdens de perioden dat partijen in Nederland verbleven een actieve rol in het leven van [minderjarige] had en ook nu nog heeft, maar dat de hoofdzorg voor [minderjarige] altijd bij de vrouw heeft gelegen. Dit blijkt temeer uit het feit dat de vrouw de eerste 20 maanden van [minderjarige] ’s leven samen met [minderjarige] in Gambia woonde, terwijl de man in Nederland was. Ook nadat de vrouw en [minderjarige] in juni 2021 naar Nederland zijn gekomen, heeft de vrouw regelmatig een aantal maanden samen met [minderjarige] in Gambia doorgebracht, terwijl de man (gedeeltelijk) in Nederland bleef. Tevens is komen vast te staan dat partijen in 2024 voor een aantal maanden samen naar Gambia zijn vertrokken en dat [minderjarige] ook in die periode voor het overgrote deel van de tijd bij de vrouw was, omdat de man bij een andere familie verbleef. Daarbij komt dat ook nu, gelet op de door partijen tijdens de kort gedingzitting gemaakte afspraken, de hoofdzorg voor [minderjarige] bij de vrouw ligt. Overigens is niet gebleken van contra-indicaties voor het toevertrouwen van [minderjarige] aan de vrouw, nu de man dit niet afdoende heeft onderbouwd gelet op de gemotiveerde betwisting van de vrouw. Omdat duidelijkheid in het belang van [minderjarige] is en het ook in haar belang is om de juridische situatie zoveel mogelijk aan te doen sluiten bij de feitelijke situatie, zal de rechtbank [minderjarige] toevertrouwen aan de vrouw. Bij deze beslissing heeft tevens een rol gespeeld dat de rechtbank uit de stukken en dat wat de man tijdens de zitting heeft verklaard, heeft opgemaakt dat de man na het feitelijk uiteengaan van partijen voornemens was om samen met [minderjarige] naar Gambia te gaan en [minderjarige] dus te scheiden van haar moeder.
4.7.
De rechtbank wijst de vrouw erop dat haar beslissing om [minderjarige] toe te vertrouwen aan haar, niet betekent dat de vrouw daarmee vervangende toestemming wordt verleend om met [minderjarige] naar [plaats 5] te verhuizen. De vrouw zal daarvoor een afzonderlijke (bodem-) procedure moeten starten. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat de vrouw en [minderjarige] voorlopig, totdat anders is besloten in de bodemprocedure, in Zeeland zullen blijven wonen.
Voorlopige zorgregeling
4.8.
Omdat [minderjarige] aan de vrouw wordt toevertrouwd, zal het verzoek van de man tot het vaststellen van een voorlopige zorgregeling tussen de vrouw en [minderjarige] worden afgewezen en komt de rechtbank toe aan het (voorwaardelijk) verzoek van de man te bepalen dat partijen volgens een week-op-week-af-regeling voor [minderjarige] zorgen.
4.9.
De man voert ter onderbouwing van zijn verzoek aan dat hij de afgelopen periode weinig contact met [minderjarige] heeft kunnen hebben, terwijl hij een vast onderdeel van haar leven was. In Nederland nam de man een groot deel van de verzorging van [minderjarige] op zich. In Gambia was dat volgens de man nog meer, omdat hij daar niet hoefde te werken.
4.10.
De vrouw heeft als reactie op het verzoek van de man aangegeven dat zij openstaat voor contact tussen de man en [minderjarige] , omdat zij het belangrijk vindt dat [minderjarige] haar vader ziet. De vrouw heeft zelf echter geen verzoek tot het vaststellen van een zorgregeling ingediend, omdat voor haar nog onduidelijk is hoe de situatie zich ontwikkelt. Als zij voorlopig met [minderjarige] in Zeeland moet blijven wonen dan staat de vrouw open voor het continueren van de door partijen tijdens de kort gedingzitting afgesproken voorlopige zorgregeling. De vrouw kan zich in dat geval ook vinden in contactmomenten tussen [minderjarige] en de man in het weekend en heeft geen bezwaar tegen tussentijdse (beeld-)belcontacten.
4.11.
De vertegenwoordigster van de Raad heeft ter gelegenheid van de zitting aangegeven dat de Raad het nodig acht dat er een onderzoek komt ten behoeve van de bodemprocedure. De verhalen en de wensen van partijen liggen ver uit elkaar, zodat het voor de Raad op dit moment niet mogelijk is om zonder onderzoek een advies uit te brengen. De Raad is van mening dat de vrouw en [minderjarige] in de tussentijd in Zeeland moeten blijven. Dit is kennelijk ook mogelijk, omdat de vrouw tijdens de kort gedingzitting heeft aangegeven dat de woonplek in [plaats 5] voorlopig ‘on hold’ kan blijven staan. De Raad adviseert de huidige zorgregeling voor de tussenliggende periode uit te breiden, omdat het erop lijkt dat er voor het feitelijk uiteengaan van partijen (in ieder geval in de periode dat partijen in Nederland verbleven) sprake was van een meer gelijkwaardige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen partijen. Gelet hierop is de huidige zorgregeling erg minimaal en dient er een voorlopige zorgregeling te komen die meer aansluit bij hoe de verdeling van de zorgtaken tussen partijen in het verleden was.
4.12.
De rechtbank overweegt als volgt. Tijdens de kort gedingzitting op 6 november jl. hebben partijen in onderling overleg een tijdelijke zorgregeling afgesproken inhoudende dat de man [minderjarige] iedere maandag, woensdag en vrijdag naar school brengt en op school ophaalt en de man daarnaast iedere woensdag na schooltijd tot na het avondeten voor [minderjarige] zorgt. Gesteld noch gebleken is dat deze regeling niet goed verloopt. De rechtbank is echter met de Raad van oordeel dat de huidige zorgregeling erg minimaal is en in afwachting van de uitkomst van de bodemprocedure in het belang van [minderjarige] uitbreiding behoeft. Dit geldt temeer nu als onweersproken vast staat dat de man in ieder geval gedurende de perioden dat partijen in Nederland verbleven bijna dagelijks zorgtaken voor [minderjarige] op zich nam. Daarbij komt dat ook de man in de weekenden tijd moet kunnen doorbrengen met [minderjarige] . De vrouw heeft tijdens de zitting overigens aangegeven open te staan voor uitbreiding van de huidige zorgregeling in die zin dat er ook in het weekend contact plaatsvindt tussen de man en [minderjarige] . Gelet op het voorgaande zal de rechtbank daarom de tijdens de kort gedingzitting door partijen afgesproken zorgregeling in afwachting van de uitkomst van de bodemprocedure uitbreiden en de volgende voorlopige zorgregeling - in een cyclus van twee weken - vaststellen:
-
week 1: De man zal [minderjarige] op maandag, woensdag en vrijdag bij de vrouw ophalen, naar school brengen, haar weer op school ophalen en - voor wat de maandag en vrijdag betreft - naar de vrouw terugbrengen. Op woensdag zal [minderjarige] na schooltijd tot na het avondeten bij de man verblijven;
-
week 2: De man zal [minderjarige] op maandag bij de vrouw ophalen, naar school brengen, haar weer op school ophalen en naar de vrouw terugbrengen. Daarnaast zal de man [minderjarige] op vrijdag bij de vrouw ophalen, naar school brengen en weer van school ophalen, waarna [minderjarige] tot maandagochtend aanvang schooltijd bij de man zal verblijven.
Raadsonderzoek
4.13.
De rechtbank is met de Raad van oordeel dat een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming vooruitlopend op en ten behoeve van de tussen partijen aanhangige bodemprocedure (bekend onder zaaknummer C/02/441578 / FA RK 25-5689) geïndiceerd is. De rechtbank zal de Raad, locatie Middelburg , dan ook verzoeken om een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de volgende vragen:
- Welke hoofdverblijfplaats is het meest in het belang van [minderjarige] , daarbij mede in ogenschouw nemend de wens van de vrouw om met [minderjarige] naar [plaats 5] te verhuizen?
- Welke zorgregeling door de ouders komt het meest tegemoet aan de belangen van [minderjarige] ?
- Hoe dient de regeling qua aard, duur en frequentie vorm gegeven te worden?
- Welke andere feiten en/of omstandigheden die uit het onderzoek naar voren zijn gekomen, zijn niet in voorgaande vragen aan de orde gesteld en zijn wel van belang om te vermelden?
4.14.
De rapportage van de Raad moet worden ingediend ten behoeve van voornoemde tussen partijen aanhangige bodemprocedure. De advocaten van partijen wordt verzocht in de bodemprocedure melding te maken van het nu ten behoeve van die procedure te starten Raadsonderzoek.
Kinderbijdrage
4.15.
De vrouw heeft verzocht te bepalen dat de man met ingang van 1 november 2025 een voorlopige bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] van € 600,= per maand aan haar dient te voldoen. Zij legt aan haar verzoek ten grondslag dat [minderjarige] behoefte heeft aan een onderhoudsbijdrage van de man en dat de man de financiële draagkracht heeft die te voldoen.
4.16.
De man voert gemotiveerd verweer en stelt dat hij onvoldoende draagkracht heeft om de door de vrouw verzochte kinderbijdrage te voldoen.
Behoefte [minderjarige]
4.17.
Bij het bepalen van de behoefte aan een kinderbijdrage hanteert de rechtbank de uitgangspunten die zijn neergelegd in de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie.
4.18.
Voor de vaststelling van de behoefte van de minderjarige is in beginsel het uitgangspunt het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) ten tijde van de samenleving van partijen. De rechtbank gaat voor de bepaling van dat gezinsinkomen uit van de inkomens van partijen in 2024, zijnde het laatste volledige jaar voor het uiteengaan.
4.19.
In geschil is tussen partijen van welk inkomen van de man tijdens de samenleving van partijen moet worden uitgegaan. De vrouw stelt dat moet worden uitgegaan van het op de jaaropgave 2024 vermelde inkomen en dat dit inkomen verdubbeld moet worden. De jaaropgave laat het inkomen van de man zien over 6 maanden, omdat de man de andere 6 maanden van dat jaar in Gambia woonde. De man kan volgens de vrouw nu een heel jaar werken, omdat hij niet naar Gambia gaat. De man is van mening dat moet worden uitgegaan van het op de jaaropgave 2024 vermelde inkomen, omdat partijen leefden van het inkomen dat hij verdiende gedurende de maanden dat hij in Nederland verbleef.
4.20.
De rechtbank zal voor de berekening van het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de man tijdens de samenleving van partijen uitgaan van het op de jaaropgaaf 2024 vermelde bruto inkomen van € 58.064,= per jaar, omdat dit het inkomen is waarvan partijen tijdens de samenleving hebben geleefd. Dat de man dit jaar niet naar Gambia is geweest c.q. gaat en daardoor wellicht meer maanden zou kunnen werken, maakt het voorgaande niet anders. Het gaat immers om het inkomen dat partijen te besteden hadden toen zij nog samen waren. Overigens heeft de man tijdens de zitting onweersproken gesteld in 2024 maar 2 maanden in Gambia te hebben verbleven, zodat het op de jaaropgave 2024 vermelde inkomen het inkomen van de man betreft over 10 maanden ofwel bijna een volledig jaar. De rechtbank zal voor het overige de door de man als productie 10 overgelegde berekening van zijn NBI tijdens de samenleving van partijen volgen, nu deze berekening verder niet is weersproken. Dit resulteert in een NBI van de man ten tijde van de samenleving van
€ 3.563,= per maand.
4.21.
Niet in geschil is tussen partijen dat moet worden uitgegaan van een netto inkomen van de vrouw tijdens de samenleving van partijen van € 15.600,= per jaar, ofwel € 1.300,=, per maand. Anders dan (de advocaat van) de vrouw in de door haar tijdens de zitting overgelegde berekening heeft gedaan, houdt de rechtbank geen rekening met een ‘bij te tellen heffingskorting partner’ van € 10.000,= netto per jaar, omdat er vanaf 2023 geen algemene heffingskorting meer wordt uitbetaald aan de minstverdienende als deze geboren is na 1962, hetgeen hier het geval is.
4.22.
Het NBGI van partijen ten tijde van de samenleving komt dan op (€ 3.563 +
€ 1.300 =) € 4.863,= per maand. Bij het NBGI dient het kindgebonden budget te worden opgeteld. Het kindgebonden budget bedroeg op het moment dat partijen uit elkaar gingen
€ 88,= per maand. Aan de hand van deze gegevens becijfert de rechtbank het NBGI van partijen op totaal € 4.951,= per maand.
4.23.
Dit NBGI, gevoegd bij het aantal kinderen in het gezin, levert volgens de ‘Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen’ een behoefte van [minderjarige] op van € 674,= per maand.
Draagkracht onderhoudsplichtigen
4.24.
Beoordeeld dient te worden in welke verhouding de behoefte van [minderjarige] tussen
partijen als onderhoudsplichtigen moet worden verdeeld. De rechtbank volgt ook in dit
opzicht de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie, inhoudende dat de behoefte van
kinderen tussen de onderhoudsplichtigen wordt verdeeld naar rato van hun draagkracht.
Daartoe dient eerst het NBI van de onderhoudsplichtigen te worden bepaald.
Het bedrag aan draagkracht wordt in 2025 bij inkomens vanaf € 2.125,= per maand
vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.310,=)]. Voor de
lagere inkomens (beneden een NBI van € 2.125,= per maand) zijn vaste bedragen per
categorie van toepassing.
Draagkracht man
4.25.
Voor de becijfering van het huidige NBI van de man is tussen partijen in geschil van welk inkomen moet worden uitgegaan. De man is van mening dat moet worden uitgegaan van zijn inkomen, zoals dat blijkt uit de door hem tijdens de zitting in het geding gebrachte concept loonstrook over oktober 2025. Hij stelt zich op 13 november jl. vanwege lichamelijke klachten te hebben ziek gemeld, niet meer aan het werk te kunnen en daardoor een lager inkomen te hebben. De vrouw stelt zich op het standpunt dat moet worden uitgegaan van het inkomen van de man zoals opgenomen in de jaaropgave 2024 vermenigvuldigd met twee omdat dit een inkomen over 6 maanden betreft, dan wel dat moet worden uitgegaan van het inkomen zoals dat blijkt uit de nog door de man in het geding te brengen drie recente salarisstroken. Volgens de vrouw is het te vroeg om er nu al van uit te gaan dat de man ook de komende maanden ziek zal zijn. De man heeft zich immers pas een paar dagen geleden ziek gemeld en is nog niet bij de bedrijfsarts geweest.
4.26.
De rechtbank is met de vrouw van oordeel dat, anders dan de man stelt, het op dit moment nog niet vast staat dat de man de komende tijd niet meer aan het werk zal kunnen. De man heeft zich vrij recent, namelijk op 13 november jl., ziek gemeld bij zijn werkgever. Uit de overgelegde medische gegevens van de man blijkt dat hij eind oktober 2025 in verband met de door hem gewenste nadere diagnostiek door de huisarts is verwezen naar het ziekenhuis, dat de huisarts hem op 11 november jl. heeft geadviseerd zijn werkzaamheden tijdelijk te staken en dat na 4 weken zal worden bezien of hij zijn huidige werkzaamheden kan hervatten, dan wel aangepaste werkzaamheden kan verrichten. In het kader van deze voorlopige voorzieningenprocedure, te weten het treffen van een ordemaatregel met een tijdelijk karakter, zal de rechtbank dan ook geen rekening houden met een (eventueel) lager inkomen van de man ten gevolge van ziekte. Omdat (de advocaat van) de man, anders dan op zitting afgesproken, heeft nagelaten na de zitting alsnog drie recente salarisstroken in het geding te brengen, zal de rechtbank ook bij de berekening van de draagkracht van de man uitgaan van het op de jaaropgave 2024 vermelde bruto inkomen van € 58.064,=. Dit inkomen is overigens gelijk aan het op de concept loonstrook over oktober 2025 vermelde bedrag aan ‘Jaarloon BT’. In het kader van deze voorlopige voorzieningenprocedure wordt uitgegaan van de huidige feitelijke situatie en gaat de rechtbank voorbij aan de stelling van de vrouw dat het op de jaaropgave 2024 vermelde inkomen moeten worden verdubbeld omdat de man niet naar Gambia gaat en dus een volledig jaar kan werken. Daarbij komt dat, zoals hiervoor al overwogen, de man onweersproken heeft gesteld in 2024 maar 2 maanden in Gambia te zijn geweest, zodat de jaaropgave 2024 het inkomen laat zien over 10 maanden, zijnde bijna een volledig jaar. Zoals onder r.o. 4.20. is berekend resulteert dit inkomen in een NBI van de man van € 3.563,- per maand.
4.27.
De man verzoekt de rechtbank rekening te houden met zijn werkelijke woonlasten
van totaal € 1.400,= per maand, omdat zijn werkelijk woonlast hoger is dan het woonforfait
van 30% van zijn NBI. De vrouw stemt ermee in dat bij de berekening van de draagkracht
van de man rekening wordt gehouden met de huur van € 1.000,= die de man betaalt voor
haar vakantiewoning, maar zij betwist dat de man daarnaast nog € 400,= per maand moet
betalen aan kosten van de standplaats van zijn caravan. Nu partijen het daarover eens zijn zal de rechtbank bij de berekening van de draagkracht van de man rekening houden met de huur van € 1.000,= per maand van de vakantiewoning van de vrouw. Ook zal de rechtbank rekening houden met de door de man opgevoerde kosten voor de standplaats van zijn caravan van € 400,= per maand. Het is naar het oordeel van de rechtbank gebruikelijk dat er betaald moet worden voor een standplaats op een camping. Een bedrag van € 400,= per maand komt de rechtbank bovendien niet onredelijk hoog voor.
4.28.
Niet in geschil is tussen partijen dat bij de berekening van de draagkracht van de
man ook rekening moet worden gehouden met de door de man voor de vrouw te betalen
premie ziektekostenverzekering van € 150,= per maand.
4.29.
Geen rekening wordt gehouden met de door de man opgevoerde en door de vrouw
betwiste bijdrage aan families die partijen steunen in Gambia van € 50,= per maand. Niet is
komen vast te staan dat de man deze bijdrage daadwerkelijk maandelijks voldoet. Bovendien
kan van de man worden verwacht dat hij deze bijdrage uit zijn draagkrachtvrije ruimte
voldoet.
4.30.
Rekening houdend met voornoemde uitgangspunten bedraagt de draagkracht van de man dan volgens de formule 70% x [NBI – (€ 1.400,= + € 1.310,= + € 150,=)] € 492,= per maand.
Draagkracht vrouw
4.31.
Tevens is tussen partijen in geschil van welk inkomen aan de zijde van de vrouw moet worden uitgegaan voor de becijfering van haar huidige NBI. De vrouw is van mening dat van de huidige feitelijke situatie moet worden uitgegaan, zijnde dat zij op dit moment geen inkomen uit arbeid en dus een minimale draagkracht heeft. De vrouw stelt dat er voor haar op dit moment geen werk is in Zeeland.
4.32.
De man stelt zich op het standpunt dat van een fictief verdiencapaciteit dient te worden uitgegaan. De vrouw is volgens hem namelijk in staat om in ieder geval te verdienen hetgeen zij voorheen met schoonmaakwerk verdiende, ofwel € 15.600,= netto per half jaar, zijnde € 31.200,= netto per jaar.
4.33.
De rechtbank stelt voorop dat de procedure betreffende de voorlopige voorzieningen
een procedure is tot het treffen van noodvoorzieningen in afwachting van de uitkomst in de
bodemprocedure, oftewel: een ordemaatregel. Deze aard van de procedure verhoudt zich niet
met een diepgaand onderzoek naar de situatie van partijen nu en in de toekomst. De
rechtbank is dan ook van oordeel dat er geen plaats is voor een debat over de
verdiencapaciteit van de vrouw als hiervoor weergegeven. De rechtbank zal dan ook uitgaan
van de huidige feitelijke situatie, te weten dat de vrouw geen inkomen uit arbeid, maar
slechts een aanspraak op de algemene heffingskorting heeft. Vast staat dat de vrouw in de
huidige situatie geen kindgebonden budget en alleenstaande ouderkop ontvangt, omdat zij op
een adres verblijft waar zij niet kan worden ingeschreven. Nu partijen het daarover eens zijn
zal in het kader van de voorlopige voorzieningenprocedure dan ook geen rekening worden
gehouden met het kindgebonden budget en de alleenstaande ouderkop. Nu de vrouw
(verzorgende ouder) een inkomen heeft lager dan € 1.875,= netto per maand, betekent dit dat
de rechtbank zal uitgaan van een minimumdraagkracht van € 25,= per maand.
Draagkrachtvergelijking
4.34.
Een draagkrachtvergelijking blijft achterwege, omdat de totale draagkracht van partijen van (€ 492 + € 25 =) € 517,= per maand lager is dan de hiervoor becijferde behoefte van [minderjarige] van € 674,= per maand.
Zorgkorting
4.35.
Op het aandeel van de man dient in beginsel de zorgkorting in mindering te worden gebracht. De zorgkorting wordt uitgedrukt in een percentage van de behoefte.
4.36.
De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de bij deze beschikking vast te stellen voorlopige zorgregeling, een zorgkorting van 25% passend is. Nu de behoefte van [minderjarige]
€ 674,= per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van € 168,= per maand.
4.37.
Nu de draagkracht van partijen onvoldoende is om volledig in de behoefte van [minderjarige]
te voorzien, wordt, na toepassing van de zorgkorting, het tekort gelijkelijk over partijen
verdeeld. Voor de man betekent dit dat de helft van het tekort in mindering komt op zijn
zorgkorting, zodat de door hem te betalen bijdrage als volgt wordt berekend:
€ 492 - (€ 168 - € 79,=) = € 403,= per maand.
Ingangsdatum
4.38.
De vrouw verzoekt de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] te laten ingaan per 1 november 2025.
4.39.
De man voert verweer. Hij stelt zich op het standpunt dat als ingangsdatum de datum van de zitting dient te worden bepaald, omdat hij op basis van de tijdens de kort gedingzitting gemaakte afspraken vanaf 6 november jl. de huur van de vakantiewoning van de vrouw en leefgeld aan de vrouw betaalt. Subsidiair stelt de man dat de ingangsdatum moet worden bepaald op de datum van indiening van het verzoekschrift.
4.40.
Uitgangspunt is artikel 1:402 van het Burgerlijk Wetboek waarin de rechter een grote mate van vrijheid krijgt bij het vaststellen van een ingangsdatum van de alimentatieverplichting. Drie data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn ingetreden die voor de onderhoudsplicht bepalend zijn, de datum van indiening van het verzoekschrift of de datum van de beschikking. Onbetwist is gesteld dat partijen tijdens de kort gedingzitting op 6 november jl. financiële afspraken hebben gemaakt geldend voor de periode van 6 tot 20 november 2025 en dat de man de afgesproken bedragen ook heeft betaald. Gelet op deze omstandigheid acht de rechtbank het redelijk om de verplichting van de man tot betaling van de kinderbijdrage niet eerder vast te stellen dan op 20 november 2025, zijnde de datum tot wanneer de in kort geding gemaakte afspraken gelden.
Conclusie
4.41.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank bepalen dat de man met ingang van 20 november 2025 aan de vrouw een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] dient te voldoen van € 403,= per maand. Het meer of anders verzochte zal worden afgewezen.
Partneralimentatie
4.42.
Ook bij het bepalen van de behoefte aan een onderhoudsbijdrage van de man aan de vrouw en de financiële draagkracht om die te voldoen, hanteert de rechtbank de uitgangspunten zoals deze zijn neergelegd in de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie.
4.43.
De vrouw heeft verzocht om een door de man met ingang van 1 november 2025 aan haar te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud van € 1.800,= bruto per maand vast te stellen.
4.44.
De man voert daartegen verweer stellende dat de vrouw een inkomen kan vergaren waarmee zij ruim in de kosten van haar levensonderhoud kan voldoen. Daarnaast betwist de man de financiële draagkracht te bezitten tot betaling van enige partneralimentatie.
Behoefte vrouw
4.45.
Bij de berekening van de partnerbijdrage stelt de rechtbank eerst het bedrag vast dat de vrouw nodig heeft om in haar levensonderhoud te kunnen voorzien, de behoefte. Voor de vaststelling van die behoefte is de vuistregel ontwikkeld, de ‘hofnorm’. Die hofnorm neemt het NBGI ten tijde van de samenleving van partijen als uitgangspunt. De gedachte is dat partijen gewend waren om daar van te leven. Dat betekent dat ieder van hen de helft van dat inkomen nodig heeft om de uitgaven te kunnen blijven doen, zoals diegene gewend was tijdens het huwelijk. Echter hebben beide partijen na de scheiding meer geld nodig, omdat het leven voor alleenstaanden nu eenmaal duurder is dan voor mensen die in gezinsverband leven. Zij kunnen de kosten niet meer met een ander delen en daarom gaat de hofnorm ervan uit dat de behoefte 60% van het gezinsinkomen is.
4.46.
De rechtbank zal ter bepaling van de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw voornoemde hofnorm hanteren. Zoals onder r.o. 4.22. berekend bedroeg het NBGI inclusief het kindgebonden budget € 4.863,= per maand. Dit gezinsinkomen wordt verminderd met de kosten van [minderjarige] , welke onder r.o. 4.23. zijn berekend op € 674,= per maand. De netto behoefte van de vrouw bedraagt 60% van dit bedrag, zijnde € 2.513,= per maand.
Behoeftigheid/aanvullende behoefte vrouw
4.47.
Vervolgens onderzoekt de rechtbank of de vrouw redelijkerwijs in staat is om zelf het bedrag van € 2.513,= netto per maand te verdienen. Als de vrouw daar niet toe in staat is, dan is zij behoeftig. Alleen in dat geval kan de rechtbank het verzoek van de vrouw om partneralimentatie toewijzen. Om te bepalen of, en zo ja, in welke mate de vrouw behoefte heeft aan een aanvullende bijdrage van de man, dient op de behoefte in mindering te worden gebracht haar huidige eigen netto inkomen.
4.48.
Onder verwijzing naar hetgeen onder r.o. 4.33. is overwogen, gaat de rechtbank er ook in dit kader van uit dat de vrouw geen inkomen heeft. Dit betekent dat de aanvullende behoefte van de vrouw gelijk is aan haar hiervoor berekende huwelijksgerelateerde behoefte van € 2.513,= netto per maand. Als de man een partnerbijdrage betaalt, dan moet de vrouw daarover nog belasting afgedragen. De rechtbank berekent dat de vrouw daarom in 2025 een bedrag van € 4.035,= bruto per maand nodig heeft om in haar huwelijksgerelateerde behoefte te kunnen voorzien.
Draagkracht man
4.49.
De rechtbank moet vervolgens beoordelen of de man over voldoende draagkracht beschikt om bij te dragen in de behoefte van de vrouw.
4.50.
Bij de beoordeling van de draagkracht van de man gaat de rechtbank uit van het onder r.o. 4.20. becijferde NBI aan zijn zijde van € 3.563,= per maand. Daarnaast houdt de rechtbank, onder verwijzing naar hetgeen onder 4.27. t/m 4.30. is overwogen, rekening met de kosten van levensonderhoud van € 1.310,= per maand, de werkelijke woonlasten van
€ 1.400,= per maand, de premie ziektekostenverzekering van de vrouw van € 150,= per maand en een draagkrachtpercentage van 60%. De rechtbank houdt verder rekening met de hiervoor becijferde kinderbijdrage, inclusief zorgkosten, van in totaal € 492,= per maand.
4.51.
Op grond van voormelde financiële omstandigheden en rekening houdend met alle fiscale gevolgen acht de rechtbank bij de man geen draagkracht aanwezig om nog enige bijdrage te voldoen ten behoeve van de vrouw. Dat brengt mee dat het verzoek van de vrouw tot vaststelling van de verzochte partneralimentatie zal worden afgewezen.
4.52.
Ten overvloede overweegt de rechtbank dat op het moment dat de man de huur van
de vakantiewoning van de vrouw en de premie ziektekostenverzekering van de vrouw niet
meer voor zijn rekening neemt, het aan (de advocaten van) partijen is om aan de hand van de
overige in deze beschikking neergelegde financiële uitgangspunten een herberekening van de
draagkracht van de man te maken.
Aanhechten berekeningen
4.53.
De rechtbank heeft berekeningen gemaakt. Gescande exemplaren van
deze berekeningen zijn als bijlage aan deze beschikking toegevoegd en maken daarvan deel
uit.
Directe werking
4.54.
Tegen deze beslissing staat geen gewoon rechtsmiddel open. Ingevolge artikel 824 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan alleen cassatie in het belang der wet worden ingesteld. Hoger beroep is dus niet mogelijk. Dit betekent dat deze beslissing directe werking heeft.

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1.
bepaalt dat aan de vrouw wordt toevertrouwd de [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2019 te [geboorteplaats] ( [land] );
5.2.
bepaalt dat de volgende voorlopige zorgregeling - in een cyclus van twee weken - zal gelden:
- week 1: De man zal [minderjarige] op maandag, woensdag en vrijdag bij de vrouw ophalen, naar school brengen, haar weer op school ophalen en - voor wat de maandag en vrijdag betreft - naar de vrouw terugbrengen. Op woensdag zal [minderjarige] na schooltijd tot na het avondeten bij de man verblijven;
- week 2: De man zal [minderjarige] op maandag bij de vrouw ophalen, naar school brengen, haar weer op school ophalen en naar de vrouw terugbrengen. Daarnaast zal de man [minderjarige] op vrijdag bij de vrouw ophalen, naar school brengen en weer van school ophalen, waarna [minderjarige] tot maandagochtend aanvang schooltijd bij de man zal verblijven.
5.3.
bepaalt dat de door de man te betalen bijdrage voor de verzorging en opvoeding van voornoemde minderjarige met ingang van 20 november 2025 wordt vastgesteld op € 403,= per maand, aan de vrouw voor de toekomst bij vooruitbetaling te voldoen;
5.4.
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming, locatie Middelburg , een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de onder r.o. 4.13. vermelde vragen en daarover te rapporteren en te adviseren, en bepaalt dat het hierover door de Raad op te maken rapport bij de rechtbank moet worden ingediend vóór
9 juni 2026ten behoeve van de hoofdzaak met kenmerk C/02/441578 / FA RK 25-5689;
5.5.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. Voorn, rechter tevens kinderrechter en, in tegenwoordigheid van mr. Van ’t Veer-Bax, griffier, in het openbaar uitgesproken op 15 december 2025.