In deze tussenuitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant, gedateerd 15 oktober 2025, wordt de aanvraag van eiseres voor een vervoersvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) behandeld. Eiseres, die beperkingen ondervindt bij het zitten, heeft een aanvraag ingediend voor een auto die geschikt is voor liggend vervoer. De Bevelanden, verweerder in deze zaak, heeft de aanvraag afgewezen, stellende dat er geen medische noodzaak is voor liggend vervoer en dat de kosten voor de aanschaf van een auto algemeen gebruikelijk zijn. Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld, waarbij zij stelt dat de regionale vervoersbehoefte niet goed in kaart is gebracht en dat zij afhankelijk is van liggend vervoer.
De rechtbank oordeelt dat de Bevelanden de regionale vervoersbehoefte van eiseres onvoldoende heeft onderzocht. De rechtbank wijst erop dat de Bevelanden nader onderzoek moet doen naar de vervoersbehoefte en -mogelijkheden van eiseres, en dat het niet duidelijk is wat de medische adviezen precies inhouden met betrekking tot liggend of half liggend vervoer. De rechtbank geeft de Bevelanden de gelegenheid om het gebrek in het bestreden besluit te herstellen en stelt een termijn van zes weken voor dit onderzoek. De rechtbank houdt verdere beslissingen aan tot de einduitspraak op het beroep.