De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 18 december 2025 uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte, die wordt verdacht van handel in cocaïne in de periode van 2 december 2021 tot en met 11 januari 2022. De zaak is inhoudelijk behandeld op 2 december 2025 en het onderzoek ter terechtzitting werd gesloten op 4 december 2025.
De rechtbank acht bewezen dat verdachte, samen met anderen, opzettelijk meerdere gebruikershoeveelheden cocaïne heeft verkocht, afgeleverd en vervoerd. Dit is onder meer vastgesteld aan de hand van tapgesprekken, observaties, camerabeelden, chatberichten en getuigenverklaringen. Verdachte heeft erkend dat hij op 11 januari 2022 een drugstransactie heeft verricht en werd op die datum aangehouden.
De rechtbank weegt mee dat het handelen in cocaïne ernstige gezondheidsrisico’s en maatschappelijke schade veroorzaakt. Verdachte heeft een strafblad met eerdere Opiumwetveroordelingen. De redelijke termijn van berechting is met bijna 23 maanden overschreden, waardoor de rechtbank een deel van de straf voorwaardelijk oplegt. De opgelegde straf is 150 dagen gevangenisstraf, waarvan 135 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met aftrek van het voorarrest.
De rechtbank spreekt verdachte vrij van hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan de bewezenverklaring en verklaart verdachte strafbaar voor het handelen in cocaïne zoals omschreven in de tenlastelegging. De beslissing is gebaseerd op artikelen uit het Wetboek van Strafrecht en de Opiumwet.