ECLI:NL:RBZWB:2025:9033

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
18 december 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
BRE 24/1433
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 6:5 AwbArt. 6:6 AwbArt. 8:24 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens ontbreken ondertekening en machtiging bij parkeerbelasting

Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd door de heffingsambtenaar van de gemeente Tilburg. De rechtbank beoordeelt het beroep zonder zitting omdat het kennelijk niet-ontvankelijk is.

De rechtbank constateert dat het beroepschrift niet persoonlijk is ondertekend door de gemachtigde en dat geen machtiging is overgelegd die bevestigt dat de gemachtigde bevoegd is om namens belanghebbende op te treden. De rechtbank heeft de gemachtigde tweemaal verzocht deze gebreken te herstellen, maar deze verzoeken zijn onbeantwoord gebleven.

Gezien het ontbreken van een persoonlijke handtekening en machtiging, en het niet tijdig herstellen van deze verzuimen, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Hierdoor wordt het bestreden besluit gehandhaafd en vindt geen inhoudelijke beoordeling plaats. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van ondertekening en machtiging, waardoor het bestreden besluit in stand blijft.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/1433

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 december 2025 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende

(gesteld gemachtigde: [gemachtigde] ),
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Tilburg, de heffingsambtenaar.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van belanghebbende tegen de bestreden uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 21 december 2023. Het beroep ziet op de naheffingsaanslag parkeerbelasting met [aanslagnummer] .
1.1.
Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is omdat het beroepschrift niet persoonlijk is ondertekend. Ook heeft gesteld gemachtigde geen machtiging ingediend. Beide verzuimen zijn niet tijdig hersteld. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Toetsingskader ondertekening beroepschrift
3. Iemand die beroep instelt, moet het beroepschrift persoonlijk hebben ondertekend. [1] Als dat niet gebeurt, kan de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaren. [2]
Is het beroepschrift ondertekend?
4. Het beroepschrift is op 10 januari 2025 ingediend door [gemachtigde] . Zij heeft het beroepschrift echter niet persoonlijk ondertekend. Er staat geen handtekening op het beroepschrift. De rechtbank heeft haar in haar brief van 8 juli 2024 verzocht om binnen vier weken dit verzuim te herstellen. De envelop waarin de aangetekende brief is verzonden, is op 6 augustus 2024 ongeopend terugontvangen met de vermelding “niet afgehaald”. Bij gewone brief van 8 augustus 2024 is de brief van 8 juli 2024 nogmaals gestuurd, nu met het verzoek om binnen twee weken te reageren. De rechtbank heeft niet binnen die termijn een ondertekend beroepschrift ontvangen.
Toetsingskader machtiging
5. Iemand die namens een ander beroep instelt, moet op verzoek van de rechtbank een machtiging indienen om aan te tonen dat hij namens die ander beroep mag instellen. [3] Als dat niet gebeurt, kan de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaren. [4]
Is een machtiging overgelegd?
6. Het beroepschrift is ingediend door gesteld gemachtigde. Het beroepschrift is gericht tegen een uitspraak op bezwaar gericht aan [belanghebbende] . De rechtbank is er daarom van uitgegaan dat gesteld gemachtigde namens belanghebbende beroep heeft ingesteld. Gesteld gemachtigde heeft bij het beroepschrift echter geen machtiging bijgevoegd waaruit blijkt dat zij gemachtigd is om dit beroep in te stellen namens belanghebbende. De rechtbank heeft haar in haar brief van 8 juli 2024 verzocht om binnen vier weken dit verzuim te herstellen. De envelop waarin de aangetekende brief is verzonden, is op 6 augustus 2024 ongeopend terugontvangen met de vermelding “niet afgehaald”. Bij gewone brief van 8 augustus 2024 is de brief van 8 juli 2024 nogmaals gestuurd, nu met het verzoek om binnen twee weken te reageren. Gesteld gemachtigde heeft binnen die termijn geen machtiging ingediend.
Is het niet tijdig indienen van een ondertekend beroepschrift en een machtiging verontschuldigbaar?
7. Gesteld gemachtigde heeft geen reden gegeven voor deze verzuimen. Er is dus geen verontschuldiging voor deze verzuimen gebleken.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van
R.P.A.G. Dekkers, griffier, op 18 december 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De rechter,
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit staat in artikel 6:5, eerste en tweede lid van de Awb.
2.Dit staat in artikel 6:6 van Pro de Awb.
3.Dit staat in artikel 8:24, tweede lid, van de Awb.
4.Dit staat in artikel 6:6 van Pro de Awb.