Uitspraak
3.De beoordeling
terVerordening). De rechtbank zal hierbij Nederlands recht toepassen (artikel 15 lid 1 Haags Pro Kinderbeschermingsverdrag 1996).
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 8 december 2025 een verzoek tot wijziging van voorlopige voorzieningen inzake het hoofdverblijf en de zorgregeling van een minderjarige. De man verzocht om het hoofdverblijf en de zorgregeling aan te passen vanwege de ernstige gezondheidssituatie van de vrouw, die een hartstilstand had gehad en tijdelijk niet voor de minderjarige kon zorgen.
De vrouw betwistte dat de situatie zodanig was gewijzigd dat de voorlopige voorzieningen moesten worden aangepast en gaf aan de zorg inmiddels weer op zich te nemen. De rechtbank oordeelde dat de man onvoldoende had onderbouwd dat de situatie zodanig was veranderd dat het hoofdverblijf moest worden gewijzigd. Wel werd vastgesteld dat de zorgregeling kon worden uitgebreid, omdat de huidige regeling beperkt was en er nog geen zicht was op een definitieve beslissing in de bodemprocedure.
De rechtbank bepaalde dat de contactmomenten tussen de man en de minderjarige werden uitgebreid met vaste weekenden en vakanties, waarbij de wisselmomenten zo werden gepland dat spanningen tussen partijen werden beperkt. De vrouw blijft het hoofdverblijf houden. De rechtbank benadrukte het belang van rustige wisselmomenten en vroeg de Raad voor de Kinderbescherming om spoedig een screening af te ronden voor verdere hulpverlening.
Uitkomst: De rechtbank wijzigt de voorlopige zorgregeling en contactmomenten ten gunste van de man, maar handhaaft het hoofdverblijf bij de vrouw.