De werknemer trad op 1 november 2015 in dienst bij Attero. Op 5 april 2025 meldde hij zich ziek en verscheen niet op kantoor of bij de bedrijfsarts ondanks oproepen. Op 22 april 2025 zegde de werknemer zijn arbeidsovereenkomst op per 22 mei 2025.
Attero verzocht de kantonrechter om de arbeidsovereenkomst voorwaardelijk te ontbinden, onder de voorwaarde dat zij de werknemer niet aan zijn opzegging mocht houden. Attero stelde dat de werknemer verwijtbaar handelde door niet mee te werken aan re-integratie en dat er subsidiair sprake was van een verstoorde arbeidsverhouding.
De kantonrechter oordeelde dat de arbeidsovereenkomst door de opzegging van de werknemer is geëindigd en dat de voorwaarde voor het ontbindingsverzoek daardoor niet is vervuld. De opzegging was niet ongeldig ondanks dat deze niet tegen het begin van een kalendermaand was gedaan. Het ontbindingsverzoek werd daarom afgewezen.
Attero werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten van de werknemer, vastgesteld op €50,00 voor reis- en verblijfkosten. De beschikking werd op 15 december 2025 in het openbaar uitgesproken door kantonrechter Swaanen.