Op 15 december 2025 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een belastingzaak betreffende de WOZ-waarde van een woning in Breda. De belanghebbende, een BV, had beroep aangetekend tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking West-Brabant, die de waarde van de onroerende zaak op 1 januari 2023 had vastgesteld op € 246.000. De rechtbank heeft het beroep behandeld op 18 november 2025, waarbij de gemachtigde van de belanghebbende en de heffingsambtenaar aanwezig waren.
De rechtbank heeft vastgesteld dat de heffingsambtenaar de waarde van de woning niet te hoog heeft vastgesteld. De waarde is bepaald aan de hand van de vergelijkingsmethode, waarbij de verkoopopbrengst van vergelijkbare woningen is gebruikt. De rechtbank oordeelt dat de referentiewoningen voldoende vergelijkbaar zijn met de woning van de belanghebbende, ondanks dat de referentieobjecten tussenwoningen zijn en de onroerende zaak een hoekwoning betreft. De rechtbank heeft de argumenten van de belanghebbende, die een lagere waarde van € 196.000 bepleitte, niet gevolgd.
De rechtbank concludeert dat de heffingsambtenaar de waarde van de woning voor het belastingjaar 2024 aannemelijk heeft gemaakt. Het beroep van de belanghebbende is ongegrond verklaard, wat betekent dat de beschikking en de aanslag onroerendezaakbelastingen in stand blijven. De belanghebbende krijgt geen griffierecht terug en ook geen vergoeding van proceskosten. De uitspraak is openbaar gemaakt en partijen zijn op de hoogte gesteld van de beslissing.