Op 15 december 2025 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in de zaak tussen eiseres, vertegenwoordigd door mr. N. Kose-Albayrak, en de Dienst Toeslagen. Eiseres had beroep ingesteld omdat verweerder niet tijdig had beslist op haar aanvraag van 22 juli 2024 voor aanvullende compensatie op basis van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). De rechtbank oordeelde dat het beroep kennelijk gegrond was, aangezien de beslistermijn van zes maanden was overschreden. Verweerder had de termijn weliswaar verlengd, maar dit was niet rechtsgeldig gebeurd. De rechtbank bepaalde dat verweerder binnen twee weken na de uitspraak alsnog een besluit moest nemen en legde een dwangsom op van € 100,- per dag voor elke dag dat deze termijn werd overschreden, met een maximum van € 15.000,-. Daarnaast werd de reeds verschuldigde bestuurlijke dwangsom vastgesteld op € 1.442,-. Eiseres kreeg ook een vergoeding voor griffierecht en proceskosten, die door verweerder betaald moesten worden. De rechtbank benadrukte dat als een bestuursorgaan niet tijdig beslist, dit gevolgen heeft voor de te betalen dwangsommen en dat er duidelijke termijnen moeten worden nageleefd.