In deze uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 15 december 2025, wordt het beroep van eiser beoordeeld, die stelt dat de Dienst Toeslagen niet tijdig heeft beslist op zijn aanvraag van 11 juni 2024 voor aanvullende compensatie op basis van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk gegrond is, omdat de beslistermijn van zes maanden na ontvangst van de aanvraag op 11 juni 2025 is verstreken. Eiser heeft de Dienst Toeslagen op 16 juni 2025 in gebreke gesteld, maar er is geen besluit genomen. De rechtbank bepaalt dat de Dienst Toeslagen alsnog binnen twee weken na deze uitspraak een besluit moet nemen, met een dwangsom van € 100,- per dag voor elke dag dat deze termijn wordt overschreden, tot een maximum van € 15.000,-. Daarnaast moet de Dienst Toeslagen het griffierecht van € 53,- en proceskosten van € 453,50 aan eiser vergoeden. De rechtbank wijst erop dat de wettelijke beslistermijn is verstreken en dat er geen aanleiding is om een andere beslistermijn te bepalen. De uitspraak is openbaar gemaakt en partijen zijn geïnformeerd over hun recht om verzet aan te tekenen tegen deze uitspraak.