ECLI:NL:RBZWB:2025:8822

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
23 oktober 2025
Publicatiedatum
11 december 2025
Zaaknummer
C/02/439542 FA RK 25-4566
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Haerkens-Wouters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beschikking voorlopige voorzieningen inzake woninggebruik, zorgregeling en alimentatie

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 23 oktober 2025 een rekestprocedure betreffende voorlopige voorzieningen tussen een vrouw en een man, ex-partners met minderjarige en jongmeerderjarige kinderen. De vrouw verzocht onder meer om het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning en toevertrouwing van de minderjarige aan haar toe te wijzen, alsmede om vaststelling van kinderalimentatie en partneralimentatie. De man verzocht onder meer om terbeschikkingstelling van goederen, een zorgregeling en een lagere kinderalimentatie.

De rechtbank oordeelde dat het verzoek van de vrouw tot uitsluitend gebruik van de woning en toevertrouwing van de minderjarige gegrond is, mede omdat het belang van het kind zich niet tegen toewijzing verzet. De rechtbank wees het verzoek van de man om een zorgregeling af, omdat de minderjarige geen contact wenst en er sprake is van een ernstig verstoorde verhouding tussen partijen. Partijen werden verwezen naar een (jeugd)hulpverleningstraject via het Uniform Hulp Aanbod (UHA) om de situatie te verbeteren.

Verder bepaalde de rechtbank dat de vrouw de man binnen vijftien dagen bepaalde goederen die tot zijn dagelijks gebruik strekken ter beschikking moet stellen. De rechtbank stelde de kinderalimentatie vast op €395 per maand en de partneralimentatie op €1.497 per maand, beide ingaande op 5 september 2025. Het verzoek van de man om bijdrage voor de jongmeerderjarige kinderen werd afgewezen wegens ontbrekende wettelijke grondslag.

De beschikking benadrukt het tijdelijke karakter van de voorlopige voorzieningen en verwijst naar de bodemprocedure voor een diepgaandere beoordeling van de geschilpunten.

Uitkomst: De vrouw krijgt het uitsluitend gebruik van de woning en de toevertrouwing van de minderjarige toegewezen; de man moet kinderalimentatie van €395 en partneralimentatie van €1.497 per maand betalen; partijen worden verwezen naar een (jeugd)hulpverleningstraject.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummer: C/02/439542 FA RK 25-4566
datum uitspraak: 23 oktober 2025
beschikking betreffende voorlopige voorzieningen
in de zaak van
[de vrouw],
wonende te [plaats],
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. J.J.R. Albicher,
en
[de man],
wonende te [plaats],
hierna te noemen de man,
advocaat mr. R.E. Teusink.
1. Het procesverloop
1.1. Dit blijkt uit de volgende stukken:
- het op 5 september 2025 ontvangen verzoekschrift, met bijlagen;
- het op 1 oktober 2025 ontvangen verweerschrift tevens houdende zelfstandige verzoeken, met bijlagen;
- het F9-formulier van mr. Albicher van 3 oktober 2025, met bijlagen.
1.2. De zaak is behandeld tijdens de zitting van 9 oktober 2025. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat.
1.3. De rechtbank heeft [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2010 (hierna ook: [minderjarige]), naar zijn mening gevraagd. Hij heeft zijn mening gegeven tijdens een gesprek met de kinderrechter.

2.De verzoeken

2.1.
De vrouw verzoekt, samengevat:
- het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning, gelegen aan [adres], te [plaats], door haar;
- toevertrouwing van [minderjarige] aan haar;
- vaststelling van een door de man te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van de minderjarige van € 818,= per maand met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift, althans vanaf de datum van deze beschikking;
- vaststelling van een door de man te betalen onderhoudsbijdrage voor haar van € 2.322,= bruto per maand met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift, althans vanaf de datum van deze beschikking.
2.2.
De man voert verweer en verzoekt, samengevat en naar de rechtbank begrijpt:
- te bepalen, althans te bevelen, dat binnen vijftien dagen na deze beschikking door de vrouw aan de man ter beschikking worden gesteld de goederen die tot zijn dagelijks gebruik strekken en die zich nog bevinden in de echtelijke woning, te weten:
a. gitaar Jackson met alle toebehoren, standaard, versterker, kabels, box, loopsystem;
b. bureaustoel (arbostoel);
c. fitnessapparatuur en sporttoebehoren: dumbells, sportbankje, sandbag, wall ball, dumbell houder, TRX, elastiek, opdruksteunen, skateboards, complete golftrainingspullen en uitrusting met de afslagmat en frame;
d. gereedschap te weten: compressor, hogedrukmachine, twee boormachines, reciprozaag, slijptol, gereedschapskist met inhoud, verzameling bouten en moeren;
- te bepalen dat de vrouw eenmaal per week de man per e-mail dient te informeren over belangrijke ontwikkelingen in het leven van de kinderen, althans van het minderjarige kind [minderjarige], waaronder hun school- en studieprestaties, gezondheid, sportactiviteiten en wat zich verder aan belangrijke ontwikkelingen hebben voorgedaan;
- vaststelling van een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) waarbij de man en [minderjarige] gerechtigd zijn tot contact met elkaar gedurende een middag per week van 14:00 uur tot 19:00 uur, in overleg tussen partijen nader af te spreken en partijen te verwijzen naar het Uniform Hulp Aanbod althans een raadsonderzoek te gelasten;
- vaststelling van een door hem te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van [minderjarige] van € 300,= per maand;
- te verstaan, althans te bepalen, dat de man als bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van de jongmeerderjarige kinderen [jongmeerderjarige 1] en [jongmeerderjarige 2], voor de duur van de procedure en tot uiterlijk hun 21-jarige leeftijd, een bedrag zal voldoen van respectievelijk € 479,= en € 639,= per maand.

3.De beoordeling

Vooraf
3.1.
Zoals tijdens de zitting expliciet en bij herhaling aan partijen is voorgehouden, stelt de rechtbank voorop dat het karakter van een voorlopige voorziening een tijdelijke beslissing is. Het is een ordemaatregel voor de duur van de bodemprocedure. Voor de toewijzing van de verschillende verzoeken is van belang dat er naar het oordeel van de rechtbank voldoende (dringend) belang bestaat bij het verzoek, in die zin dat de afloop van de bodemzaak niet afgewacht kan worden. Voor meer dan een globale (inhoudelijke) beoordeling van de verschillende verzoeken is dan ook geen plaats. Details horen thuis in de bodemprocedure.
Uitsluitend gebruik van de woning en toevertrouwing van de minderjarige
3.2.
Aangezien de verzoeken betreffende het uitsluitend gebruik van de woning en de toevertrouwing van [minderjarige] aan de vrouw op de wet gegrond zijn, de man bij deze verzoeken heeft aangegeven zich te refereren aan het oordeel van de rechtbank en niet is gebleken dat het belang van [minderjarige] zich tegen toewijzing van het verzoek dat ziet op hem verzet, zal de rechtbank deze verzoeken toewijzen.
De zorgregeling, Uniform Hupaanbod (UHA) en raadsonderzoek
3.3.
De man legt aan zijn verzoek ten grondslag dat het van groot belang is dat er een contactregeling met in ieder geval [minderjarige] tot stand komt. [minderjarige] is pas 15 jaar en het contact was altijd goed. Nu heeft hij [minderjarige] al een aantal maanden niet meer gezien/gesproken. De man verzoekt ook dat partijen worden doorverwezen naar het UHA voor overleg en hulpverlening gericht op het realiseren van een goede zorgregeling tussen de man en in ieder geval [minderjarige]. Het zou fijn zijn als hierbij ook het contact(herstel) tussen de man en zijn twee andere jongmeerderjarige kinderen, die nog bij de vrouw wonen, wordt betrokken. Ook hen heeft hij al een paar maanden niet meer gezien. Wenst de vrouw dit niet, dan vindt de man dat een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna ook: Raad) moet worden gelast. Op de zitting heeft de man verder toegelicht dat hij voor nu graag zou willen dat [minderjarige] een middag in het weekend bij hem verblijft. Hij kan zich voorstellen dat er een opbouw in het contact moet komen, maar hij weet nog niet goed hoe dit er dan uit moet komen te zien. Dit is namelijk ook afhankelijk van wat [minderjarige] wil. De man schat overigens in dat een kort contactmoment met [minderjarige] er al in zal/kan resulteren dat het contact tussen hen direct weer goed is.
3.4.
De vrouw heeft op de zitting aangegeven dat voor nu de wens van [minderjarige] gevolgd moet worden. Hij wil op dit moment geen contact met de man. Gedwongen contact zal ervoor zorgen dat de band tussen hen verder verstoord zal raken. Het verzoek van de man moet voor nu worden afgewezen.
3.5.
[minderjarige] heeft tijdens het kindgesprek verteld dat hij al een paar maanden geen contact meer heeft met zijn vader en hem niet meer heeft gezien. Eigenlijk vanaf het moment dat de man niet meer thuis woont. De situatie thuis is nu veel rustiger en fijner. Er waren erg veel ruzies in huis tussen zijn ouders en zij waren daar als kinderen vaak bij. [minderjarige] zit op dit moment nog niet te wachten op (structureel) contact met zijn vader. In de voorbije maanden heeft de man ook niet de moeite genomen om met hem in contact te komen en daarbij bijvoorbeeld te vragen hoe het met hem gaat. Als zijn vader echt contact met hem wil, kan hij hem een bericht sturen via bijvoorbeeld WhatsApp en dan kijkt [minderjarige] wel wat, en of hij nu iets wil.
3.6.
Tijdens de zitting is met partijen stil gestaan bij de gebeurtenissen in de afgelopen periode. De rechtbank constateert dat partijen daarbij ieder hun eigen verhaal hebben en dat daarbij sprake is van een ernstig verstoorde verhouding tussen partijen. Ook in hun ouderrelatie. Partijen verwijten elkaar over en weer van alles en normale communicatie lijkt, ook als het om de kinderen gaat, onmogelijk. De emoties zitten partijen nog erg hoog. Dit moet veranderen. Ook is het zorgelijk te noemen dat de man in de afgelopen maanden [minderjarige] (maar ook de jongmeerderjarige kinderen van partijen [jongmeerderjarige 1] en [jongmeerderjarige 2]) niet heeft gezien en/of gesproken en dat er slechts een enkel appje is verstuurd.
De rechtbank acht het daarom nodig dat voor deze ouders en [minderjarige] een passend (jeugd)hulpverleningstraject bij een zorgaanbieder wordt ingezet. Dit is aan partijen tijdens de zitting voorgehouden en zij hebben ermee ingestemd dat de rechtbank hen en [minderjarige] voor (jeugd)hulpverlening verwijst naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio West-Brabant-West. De verwijzing heeft op 13 oktober 2025 plaatsgevonden met het verzenden van het verwijzingsformulier naar het loket. Deze beschikking en de naar het loket verstuurde kennisgeving gelden als bevestiging dat ouders met de doorverwijzing en de voorwaarden daarvan hebben ingestemd.
3.7.
Met de inzet van het (jeugd)hulptraject gaan partijen, zo is met hen afgesproken, in ieder geval werken aan het behalen van de volgende resultaten:
- de ouders hebben inzicht in de (psychologische) gevolgen van de scheiding voor het kind;
- het kind heeft een stem in het scheidingsproces, voelt zich gehoord en gesteund.
3.8.
Gebleken is dat partijen daarnaast ook op andere onderdelen hulp en ondersteuning nodig hebben. Daarom heeft de rechter na overleg met partijen besloten dat zij samen met een zorgaanbieder ook gaan werken aan het behalen van de volgende resultaten:
- de (gezagdragende) ouders zorgen voor afspraken en beslissingen die in het belang zijn van het kind (zware/systeemgerichte interventie);
- het kind en de (gezagdragende) ouders hebben onbelast contact met elkaar.
De resultaten zijn ook vastgelegd in een resultatenlijst. Deze lijst is aan deze beschikking en aan de kennisgeving gehecht (bijlage 1).
3.9.
Ten aanzien van het verdere verloop van het traject overweegt de rechtbank als volgt. Na afloop van het (jeugd)hulpverleningstraject maakt de zorgaanbieder een rapportage op over het verloop en het resultaat van het traject. Deze rapportage wordt als bijlage bij het door de gemeente/toegang op te maken rapport gevoegd. Voor het doorlopen van een hulpverleningstraject wordt standaard een termijn van zes maanden aangehouden.
Gelet hierop verzoekt de rechtbank het loket om de volledige UHA rapportage
uiterlijk op na te noemen pro forma datum, of zoveel eerder als mogelijk is, in de nog aanhangig te maken
bodemprocedurein te brengen. Op verzoek van het loket en/of de gemeente/toegang kan de rechtbank deze termijn verlengen. Dit verzoek moet gemotiveerd worden gedaan. Als de verlenging wordt toegestaan dan geeft de rechtbank een nieuwe pro forma datum door.
3.10.
Als de hulp heeft geleid tot een positief resultaat, stelt de rechtbank partijen (en hun advocaten) in de gelegenheid zich binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage uit te laten of een zitting in de bodemprocedure nog nodig is. De advocaten maken in hun reactie kenbaar wat het resultaat van de hulpverlening betekent voor de in die bodemprocedure gedane/nog in te dienen verzoeken met betrekking tot [minderjarige].
3.11.
Als de hulp niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat verzoekt de rechtbank het loket de volledige UHA rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad. De Raad toetst en beoordeelt dan of een onderzoek of interventie zal worden verricht. De Raad informeert de rechtbank binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage of er aanleiding is een onderzoek of interventie te starten.
3.12.
Wanneer de Raad geen aanleiding ziet voor een onderzoek of interventie, maar op grond van de UHA rapportage direct een advies kan geven, stelt de rechtbank partijen (en hun advocaten) in de gelegenheid zich over dit advies, alsmede over het verdere procesverloop uit te laten.
3.13.
Wanneer de Raad een onderzoek wel noodzakelijk vindt, dan verzoekt de rechtbank de Raad dit onderzoek te verrichten en daarover in de nog aanhangig te maken bodemprocedure een rapport en advies in te dienen ter beantwoording van de volgende vragen:
- Welke zorgregeling door de ouders komt het meest tegemoet aan de belangen van de minderjarige?
- Zijn er contra-indicaties voor contact en zo ja, welke?
- In hoeverre zijn deze contra-indicaties op te heffen; hoe, onder welke voorwaarden en op welke termijn?
-Welke andere feiten en/of omstandigheden die uit het onderzoek naar voren zijn gekomen, is niet in voorgaande vraag aan de orde gesteld en is wel van belang om te vermelden?
3.14.
Deze beschikking is een verzoek aan de Raad om dit onderzoek te verrichten, indien het traject niet is gestart of niet positief wordt afgesloten én de Raad dat onderzoek noodzakelijk acht.
3.15.
Na een onderzoek of interventie van de Raad stelt de rechtbank partijen (en hun advocaten) in de gelegenheid om binnen een termijn van 14 dagen op de rapportage van de Raad te reageren en zich uit te laten over het verdere procesverloop.
3.16.
De rechtbank verzoekt partijen bij het aanhangig maken van de bodemzaak op het verplicht bij te voegen F1-formulier melding te maken van de verwijzing van ouders naar een (jeugd)hulpverleningstraject in het kader van UHA door middel van vermelding
UHA in voorlopige voorziening met zaaknummer C/02/439542 FA RK 25-4566.
3.17.
Partijen zijn tijdens de zitting geïnformeerd over de privacy aspecten van de doorverwijzing (bijlage 2). Zij hebben met het delen van de privacy gegevens en de voorwaarden waaronder de verwijzing plaatsvindt ingestemd.
3.18.
Het is partijen tijdens de zitting niet gelukt om afspraken te maken over al dan niet een tijdelijke zorgregeling en wensen daarom een beslissing van de rechtbank op dit verzoek van de man. De rechtbank dient daarbij de standpunten van partijen onder meer te toetsen aan het belang van [minderjarige]. De rechtbank zal het verzoek van de man afwijzen en overweegt daartoe als volgt. Vast staat dat er enkele maanden geen (fysiek) contact is geweest tussen de man en [minderjarige] en dat [minderjarige] in het kindgesprek heeft aangegeven dat hij daar nu ook nog niet voor open staat. Er is in ieder geval voor de rechtbank nog weinig zicht op de precieze oorzaak daarvan. Er lijkt sprake te zijn van een loyaliteitsconflict, waardoor hij niet in staat is onbelast contact te hebben met beide ouders. Het opleggen van een verplicht contactmoment (al dan niet met opbouw) met zijn vader wordt onder de gegeven omstandigheden op dit moment niet in zijn belang geacht.
3.19.
De rechtbank benadrukt dat deze uitkomst niet de meest wenselijke is, maar het is nu kiezen tussen twee onaangename opties: het is niet in het belang van [minderjarige], mede gelet op zijn leeftijd en geuite weerstand, om hem nu te dwingen tot contact met de man, maar (langdurig) geen contact de man kan ook schadelijk zijn voor hem. De sleutel tot verandering ligt onder meer in handen van partijen, de ouders. De rechtbank doet dan ook een dringend beroep op hen. Niet alleen in het kader van het hulpverleningstraject via het UHA, maar wellicht al eerder middels een viergesprek met partijen en hun advocaten. De rechtbank hoopt dat er voor [minderjarige], en wellicht ook voor de twee andere jongmeerderjarige kinderen, met de start van de hulpverlening danwel constructief overleg tussen partijen ruimte zal ontstaan voor contact met hun vader.
3.20.
Tenslotte, nu partijen zijn doorverwezen naar een hulpverleningstraject en in dat kader een negatieve terugmelding bij de Raad wordt gemeld, ziet de rechtbank geen aanleiding om een raadsonderzoek te gelasten zoals door de man verzocht. Dat verzoek zal de rechtbank daarom afwijzen.
De informatieregeling
3.21.
Partijen hebben tijdens de zitting ingestemd met een informatieregeling waarbij de vrouw de man één keer per twee weken per e-mail zal informeren over [minderjarige], een en ander zoals door de man verzocht en omschreven. De rechtbank acht dit in het belang van [minderjarige] en zal het verzoek van de man overeenkomstig het voorgaande toewijzen.
Goederen voor dagelijks gebruik
3.22.
De man geeft aan dat hij in overleg gepoogd heeft zijn (beroeps)kleding en persoonlijke spullen mee te krijgen. Dit is zeer moeizaam gegaan. De man heeft niet alles meegekregen en mocht van de vrouw niet in de woning. De spullen die hij nu aanvullend wenst te krijgen zijn om meerdere redenen essentieel voor hem.
3.23.
De vrouw heeft op de zitting aangegeven niet te kunnen instemmen met afgifte van de door de man genoemde goederen. Volgens haar neemt de man hiermee al een voorschot op de verdeling van de gemeenschappelijke goederen. Hierover moet in de bodemprocedure worden beslist. Volgens de vrouw heeft de man al veel spullen meegenomen en zij vindt het niet rechtvaardig als hij nu nog meer krijgt.
3.24.
Gelet op de door de man tijdens de zitting gegeven toelichting is voldoende komen vast te staan dat de gitaar met alle toebehoren, de bureaustoel en de fitnessapparatuur en sporttoebehoren strekken tot zijn dagelijks gebruik. Het verzoek van de man zal voor zover dit ziet op deze goederen worden toegewezen. Bij deze beslissing heeft de rechtbank ook betrokken dat de vrouw tijdens de zitting heeft erkend dat zij niet degene is die gitaar speelt, en de bureaustoel, golfspullen en fitnessapparatuur niet gebruikt, maar dat zij vindt dat de man deze nu niet mag krijgen omdat hij bij zijn vertrek uit de woning al voldoende andere goederen, waarvan sommige niet van hem zijn, heeft meegenomen. Wat daar ook van zij, en of haar stelling juist is, dit is een onderwerp dat bij de afwikkeling van het huwelijksvermogen van partijen in de bodemprocedure aan bod kan komen en voor nu in ieder geval geen argument vormt om afgifte van deze specifieke goederen te blokkeren. Wat betreft het gereedschap zal het verzoek worden afgewezen omdat onvoldoende is onderbouwd dat dit goederen zijn die tot het dagelijks gebruik van de man strekken.
Kinder- en partneralimentatie
3.25.
Nogmaals wordt vooropgesteld dat het ook hier een ordemaatregel betreft, waarbij het gaat om een bijdrage voor de duur van de echtscheidingsprocedure en waarbij de rechtbank dient uit te gaan van de huidige situatie. In deze procedure is dan ook geen plaats voor een diepgaand onderzoek naar de draagkracht van partijen. Een dergelijk onderzoek kan eventueel in de latere bodemprocedure plaatsvinden.
Kinderalimentatie
Behoefte
3.26.
Voor de vaststelling van de behoefte van [minderjarige] is in beginsel het uitgangspunt het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) ten tijde van de samenleving van partijen. Zowel de man als de vrouw komen in hun berekening van dit NBGI uit boven de maximale inkomensgrens, volgens de behoeftetabel, van € 7.500,= per maand. De rechtbank zal daarom van dat NBGI uitgaan.
3.27.
Tussen partijen is in geschil of bij de behoeftetabel moet worden uitgegaan van één kind of drie kinderen.
3.28.
Het jaar 2024 was het laatste volledige jaar voordat partijen uiteen zijn gegaan. In dat jaar waren zowel [minderjarige] als [jongmeerderjarige 2] minderjarig. Verder hebben partijen desgevraagd verklaard dat, ondanks de meerderjarigheid van [jongmeerderjarige 1] in dat jaar, ook haar kosten drukten op het totale NBGI. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank nu uitgaan van de behoeftetabel voor drie kinderen. Dit leidt tot een totale behoefte voor drie kinderen van € 1.845,= per maand, oftewel € 615,= per maand voor [minderjarige].
Draagkracht van de vrouw
3.29.
Voor de berekening van de draagkracht van de vrouw staat tussen partijen vast dat (in ieder geval) moet worden uitgegaan van een inkomen uit dienstverband bij [werkgever] ter hoogte van € 3.165,= bruto per maand.
3.30.
Tussen partijen is in geschil of rekening moet worden gehouden met een percentage (8%) aan vakantietoeslag of met een individueel keuzebudget (IKB).
3.31.
De rechtbank leidt uit de door de vrouw overgelegde salarisspecificaties (productie 10) af dat zij geen 8% vakantietoeslag ontvangt zoals door haar advocaat aangevoerd, maar maandelijks IKB opbouwt. Het IKB is een budget in geld van de werknemer dat de werkgever maandelijks reserveert. De werknemer beslist zelf hoe hij of zij het IKB wil gebruiken en wanneer. Bijvoorbeeld om verlof te kopen of door het te laten uitbetalen. De werknemer kan in dat laatste geval kiezen om het IKB in delen, maandelijks of aan het eind van het jaar in één keer uit te laten betalen. Uit de overgelegde specificaties volgt dat de vrouw het IKB enkele maanden, namelijk in mei 2025, juni 2025 en juli 2025, heeft laten uitbetalen. Volgens de vrouw doet zij dit niet meer, en dit zou blijken uit de specificatie van augustus 2025. Uit deze specificatie blijkt echter ook dat het maandelijkse IKB-bedrag is gereserveerd. Zoals hiervoor reeds is uitgelegd, kan de vrouw dit bedrag nog op een later moment alsnog laten uitbetalen en blijft het voor haar beschikbaar. Dat de vrouw haar IKB besteed aan het kopen van verlofuren blijkt nergens uit en is door haar onvoldoende onderbouwd. De rechtbank gaat er dus, in het kader van deze procedure, vanuit dat de vrouw haar IKB op enig moment in het jaar (volledig) laat danwel kan laten uitbetalen en zal gelet daarop rekening houden met een maandelijks bedrag aan IKB ter hoogte van € 539,71 per maand, oftewel € 6.477,= per jaar.
3.32.
De rechtbank zal rekening houden met een bijdrage en leasebedrag voor een fiets vanuit de werkgever van de vrouw, zijnde een bijdrage van € 40,= voor de leasefiets en € 119,= voor het leasebedrag.
3.33.
Tussen partijen is in geschil of verder rekening moet worden gehouden met een inkomen uit de onderneming van de vrouw genaamd [onderneming], waarbij zij via een webshop producten voor honden verkoopt, alsmede met inkomsten vanwege het fokken en verkopen van pups.
3.34.
Zoals hiervoor opgemerkt, in deze procedure wordt gekeken naar de huidige financiële situatie van partijen. Wat betreft de webshop van de vrouw is de rechtbank van oordeel dat door de vrouw voldoende is onderbouwd dat zij hier op dit moment geen inkomen uit ontvangt. Zo volgt uit het door haar overlegde financiële overzicht (productie 12), alsmede de onderliggende stukken, dat het resultaat van deze webshop nu negatief is. De rechtbank zal gelet op het voorgaande dus geen rekening houden met een inkomen uit deze webshop. Ook zal de rechtbank geen rekening houden met een inkomen uit het fokken en verkopen van pups. De vrouw heeft desgevraagd op de zitting onweersproken verklaard dat er op dit moment geen van de honden drachtig is, er in de aankomende periode dus geen nestje pups zal zijn en daarmee dus ook geen inkomen uit de verkoop van pups.
3.35.
De rechtbank houdt daarnaast rekening met de van toepassing zijnde premies en heffingskortingen (algemene heffingskorting en arbeidskorting), en de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen. Daarnaast komt de vrouw met dit inkomen in aanmerking voor een kindgebonden budget en de daarvan deel uitmakende alleenstaande ouderkop van € 5.718,= op jaarbasis. Aan de hand van deze uitgangspunten becijfert de rechtbank het huidige NBI van de vrouw op een bedrag ter hoogte van € 3.311,= per maand.
3.36.
Tussen partijen is in geschil of rekening moet worden gehouden met het woonbudget of de werkelijke woonlasten van de vrouw.
3.37.
Zoals in het hiernavolgende bij de draagkracht van de man wordt overwogen zullen de hypothecaire lasten verbonden aan de echtelijke woning volledig door de man moeten worden gedragen en zullen deze in de berekening van zijn draagkracht worden meegenomen. Nu verder geen andere inhoudelijke bezwaren zijn aangevoerd tegen het in aanmerking nemen van het woonbudget bij de berekening van de draagkracht van de vrouw, zal de rechtbank daarvan uitgaan.
3.38.
De draagkracht van de vrouw is dan volgens de formule € 706,= per maand.
Draagkracht van de man
3.39.
De rechtbank ziet aanleiding om in het kader van deze ordemaatregel uit te gaan van het huidige inkomen van de man. Dat inkomen volgt uit de overgelegde werkgeversverklaring. Daarbij heeft de rechtbank betrokken de uitleg van de werkgever in het door de man overgelegde e-mailbericht bij deze werkgeversverklaring (productie 15) in samenhang met de toelichting van de man op zitting dat hij in de komende periode geen operationele, maar een beleidsfunctie uitoefent waardoor hij geen recht heeft op allerlei toeslagen. Dat de functie van de man steeds verandert, is door de vrouw op zitting ook bevestigd. De rechtbank gaat uit van een bruto jaarsalaris van afgerond € 122.427,=, een vaste vergoeding van afgerond € 5.632,= per jaar en IKB ter hoogte van afgerond € 19.992,= per jaar.
3.40.
De rechtbank houdt verder rekening met de van toepassing zijnde premies en heffingskortingen (algemene heffingskorting en arbeidskorting), en de verschuldigde inkomstenbelasting. Aan de hand van deze uitgangspunten becijfert de rechtbank het huidige NBI van de man op een bedrag ter hoogte van € 6.672,= per maand.
3.41.
Tussen partijen is in geschil of moet worden uitgegaan van het woonbudget of (de helft van) de te betalen hypothecaire lasten vermeerderd met zijn huur, ofwel de werkelijke woonlasten.
3.42.
De rechtbank zal uitgaan van de totale werkelijke woonlasten van de man. De feitelijke situatie is dat sprake is van een scheidingssituatie waarbij de vrouw in de echtelijke woning verblijft en de man een andere woning heeft moeten huren. Partijen kunnen het niet eens worden over een afspraak ten aanzien van de betaling van de hypothecaire lasten van de woning, zodat de rechtbank in het kader van deze procedure de volledige lasten aan de zijde van de man in aanmerking zal nemen. Daarnaast is gebleken dat de lasten van de door de man gehuurde woning € 2.100,= per maand zijn. Anders dan de vrouw heeft betoogd is dit bedrag, mede gelet op het “normale” woonbudget dat uit de berekening volgt van € 2.002,= per maand, naar het oordeel van de rechtbank niet onredelijk. De rechtbank zal mitsdien uitgaan van een totale woonlast bestaande uit € 2.100,= per maand aan huurlasten, (€3.726,= x 2 =) € 7.452,= netto per jaar aan rente verband houdende met de hypothecaire geldlening die is verbonden aan de woning, oftewel € 621,= per maand, en (€ 278,= x 2 =) € 556,= per maand aan aflossing op de hypothecaire geldlening. De rechtbank ziet verder, mede gelet op de WOZ-waarde, aanleiding om rekening te houden een bedrag aan premie voor de opstalverzekering ter hoogte van € 50,= per maand.
3.43.
De draagkracht van de man is dan volgens de formule € 1.589,= per maand.
Draagkrachtvergelijking
3.44.
Op de zitting is namens de man aangegeven dat, als hij de volledige hypothecaire lasten van de echtelijke woning dient te betalen, hij dan geen bijdrage zal kunnen en gaan betalen aan de jongmeerderjarigen [jongmeerderjarige 1] en [jongmeerderjarige 2]. In het navolgende zal daarom met hen geen rekening worden gehouden, maar enkel met [minderjarige].
3.45.
De verdeling van de kosten van [minderjarige] over de onderhoudsplichtigen wordt dan berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte, oftewel:
het aandeel van de man bedraagt: € 1.589 / € 2.295 x € 615 = € 426,=
het aandeel van de vrouw bedraagt: € 706 / € 2.295 x € 615 = € 189,=
Zorgkorting
3.46.
Hoewel geen zorgregeling is vastgesteld gaat de rechtbank ervan uit dat er de komende periode wel zal worden gewerkt aan contactherstel tussen de man en [minderjarige]. De rechtbank acht het gelet daarop redelijk om een zorgkorting van 5% toe te passen.
3.47.
Nu de behoefte van [minderjarige] € 615,= per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van € 31,= per maand. Het aandeel van de man wordt verminderd met dit bedrag, zodat de man als kinderbijdrage aan de vrouw dient te betalen van € 395,= per maand.
Ingangsdatum
3.48.
De rechtbank zal de verplichting tot betaling van die bijdrage laten ingaan op 5 september 2025, zijnde de datum van indiening van het verzoekschrift. Daarbij heeft de rechtbank betrokken dat de man tot op heden geen bijdrage heeft voldaan aan de vrouw ten behoeve van [minderjarige]. Verder kon hij vanaf die datum rekening houden met vaststelling van een kinderbijdrage.
Conclusie
3.49.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de door de man te betalen bijdrage ten behoeve van [minderjarige] met ingang van 5 september 2025 vaststellen op € 395,= per maand.
Partneralimentatie
3.50.
In geschil is de behoefte van de vrouw aan een (voorlopige) bijdrage. Nu het gaat om een ordemaatregel ziet de rechtbank geen aanleiding, anders dan de man heeft betoogd, de behoefte en de aanvullende behoefte van de vrouw tot in detail te berekenen. Het is aan de rechtbank om zich in de hoofdzaak daarover een oordeel te vormen.
3.51.
De rechtbank gaat nu uit van de huidige arbeidsuren van de vrouw en het daarbij behorende inkomen. Gelet op de welstand van partijen tijdens het huwelijk en het verschil in (hoogte van) inkomen van partijen heeft de vrouw in ieder geval behoefte aan het hierna becijferde bedrag dat de man aan draagkracht beschikbaar heeft voor partneralimentatie. Dat bedrag overstijgt haar aanvullende behoefte op dit moment niet.
Draagkracht van de man
3.52.
Voor wat betreft het NBI van de man gaat de rechtbank uit van de gegevens zoals hiervoor onder 3.39 tot en met 3.42 zijn weergegeven. De rechtbank houdt voorts rekening met de hiervoor becijferde kinderbijdrage, inclusief zorgkosten, van in totaal € 426,= per maand.
3.53.
Op grond van voormelde financiële omstandigheden en rekening houdend met alle fiscale gevolgen acht de rechtbank bij de man de draagkracht aanwezig om, naast voormelde kosten van [minderjarige], € 936,= netto per maand, oftewel € 1.497,= bruto per maand, te voldoen ten behoeve van de vrouw. Daarbij wordt het fiscale voordeel van de betaling van de bijdrage aan de vrouw geheel aan hem toegekend. Dat brengt mee dat het verzoek van de vrouw in zoverre zal worden toegewezen. Het meerdere wordt afgewezen.
Ingangsdatum
3.54.
De rechtbank zal de verplichting tot betaling van een partnerbijdrage tevens laten ingaan op de 5 september 2025, de datum van indiening van het verzoekschrift, onder verwijzing naar rechtsoverweging 3.48.
Aanhechten van berekeningen kinder- en partneralimentatie
3.55.
De rechtbank heeft berekeningen van de draagkracht van partijen gemaakt. Exemplaren van deze berekeningen zijn als bijlage aan deze beschikking toegevoegd en maken daarvan deel uit (bijlage 3).
Bijdrage voor [jongmeerderjarige 1] en [jongmeerderjarige 2]
3.56.
Het verzoek van de man om te verstaan dat hij als bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van de jongmeerderjarige kinderen [jongmeerderjarige 1] en [jongmeerderjarige 2] voor de duur van de procedure en tot uiterlijk hun 21-jarige leeftijd een bedrag zal voldoen van respectievelijk € 479,= en € 639,= per maand zal worden afgewezen nu onder meer een wettelijke grondslag daarvoor ontbreekt.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
bepaalt dat aan de vrouw wordt toevertrouwd de minderjarige [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2010;
4.2.
bepaalt dat de vrouw de man eenmaal per twee weken per e-mail informeert over belangrijke ontwikkelingen in het leven van genoemde minderjarige, waaronder zijn school- en studieprestaties, gezondheid, sportactiviteiten en wat er zich verder aan belangrijke ontwikkelingen heeft voorgedaan;
4.3.
verwijst partijen en genoemde minderjarige voor een (jeugd)hulptraject ten behoeve van de hierboven (rechtsoverweging 3.7 en 3.8) genoemde resultaten naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio West-Brabant-West. Het loket zal partijen en de minderjarige vervolgens via de toegang van de woonplaatsgemeente van de minderjarige verwijzen naar de zorgaanbieder;
4.4.
verzoekt het loket om uiterlijk op
21 april 2026 pro forma, of zoveel eerder als mogelijk is, in
de nog aanhangig te maken bodemprocedurede rapportage over het verloop en het resultaat van het (jeugd)hulpverleningstraject ter griffie in te dienen;
4.5.
verzoekt partijen bij het aanhangig maken van de bodemzaak op het verplicht bij te voegen F1-formulier melding te maken van de verwijzing van partijen naar een (jeugd)hulpverleningstraject in het kader van UHA door middel van vermelding “
UHA in voorlopige voorziening met zaaknummer C/02/439542 FA RK 25-4566”;
4.6.
verzoekt het loket, wanneer het traject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, de UHA rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda;
4.7.
verzoekt de Raad binnen veertien dagen na ontvangst van de UHA rapportage de rechtbank te informeren of hij aanleiding ziet een onderzoek of interventie te starten;
4.8.
verzoekt de Raad wanneer het (jeugd)hulptraject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, dan wel als de Raad daartoe zelf aanleiding ziet, ten behoeve van de nog aanhangig te maken bodemprocedure onderzoek in te stellen ter beantwoording van de in rechtsoverweging 3.13 opgenomen vragen en daarover te rapporteren en te adviseren;
4.9.
verzoekt de Raad zijn rapport en advies binnen vier maanden nadat de Raad de rechtbank heeft laten weten dat een onderzoek of interventie zal worden verricht bij de rechtbank in te dienen, zulks onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift van dit rapport en advies aan de advocaten van partijen;
4.10.
bepaalt dat de vrouw bij uitsluiting gerechtigd is tot het gebruik van de echtelijke woning, gelegen aan [adres], te [plaats], en beveelt de man die woning niet verder te betreden;
4.11.
beveelt de vrouw binnen vijftien dagen na deze beschikking aan de man ter beschikking te stellen de volgende goederen:
a. gitaar Jackson met alle toebehoren, standaard, versterker, kabels, box, loopsystem;
b. bureaustoel (arbostoel);
c. fitnessapparatuur en sporttoebehoren: dumbells, sportbankje, sandbag, wall ball, dumbell houder, TRX, elastiek, opdruksteunen, skateboards, complete golftrainingspullen en uitrusting met de afslagmat en frame;
4.12.
bepaalt dat de door de man te betalen bijdrage voor de verzorging en opvoeding van genoemde minderjarige met ingang van 5 september 2025 wordt vastgesteld op € 395,= (driehonderdvijfennegentig euro) per maand, aan de vrouw voor de toekomst bij vooruitbetaling te voldoen;
4.13.
bepaalt dat de door de man te betalen bijdrage voor het levensonderhoud van de vrouw
met ingang van 5 september 2025 wordt vastgesteld op € 1.497,= (éénduizend vierhonderdzevenennegentig euro) per maand, aan de vrouw voor de toekomst bij vooruitbetaling te voldoen;
4.14.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Haerkens-Wouters en, in tegenwoordigheid van mr. Reijerse, griffier, in het openbaar uitgesproken op 23 oktober 2025.