Op 4 december 2025 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in de zaak tussen eiser en het UWV. Eiser had op 29 december 2023 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend gekregen, maar was het niet eens met de mate van arbeidsongeschiktheid die door het UWV was vastgesteld. Eiser heeft op 12 maart 2025 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar. Het UWV heeft op 29 april 2025 alsnog beslist op het bezwaar, maar eiser was het niet eens met het bestreden besluit. De rechtbank heeft het beroep op 4 december 2025 behandeld en na afloop van de zitting onmiddellijk uitspraak gedaan.
De rechtbank oordeelde dat eiser geen belang meer had bij een beoordeling van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit, omdat er inmiddels wel een beslissing was genomen. Dit deel van het beroep werd niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep tegen het bestreden besluit werd gedeeltelijk gegrond verklaard. De rechtbank oordeelde dat het UWV in het bestreden besluit niet voldoende had gemotiveerd dat de functie van Medewerker postverzorging geschikt was voor eiser, waardoor deze functie niet geduid kon worden. Dit leidde tot de conclusie dat eiser volledig arbeidsongeschikt was per 29 november 2023.
De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd voor zover het UWV eiser per 29 november 2023 65,25% arbeidsongeschikt beschouwde en heeft bepaald dat eiser met ingang van die datum volledig arbeidsongeschikt is. Tevens werd het UWV veroordeeld tot betaling van het griffierecht en proceskosten aan eiser. De uitspraak werd openbaar gemaakt en partijen werden gewezen op de mogelijkheid om in hoger beroep te gaan.