ECLI:NL:RBZWB:2025:8804

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
4 december 2025
Publicatiedatum
11 december 2025
Zaaknummer
BRE 25/1784 WIA
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen besluit UWV over loongerelateerde WGA-uitkering en arbeidsongeschiktheid

Op 4 december 2025 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in de zaak tussen eiser en het UWV. Eiser had op 29 december 2023 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend gekregen, maar was het niet eens met de mate van arbeidsongeschiktheid die door het UWV was vastgesteld. Eiser heeft op 12 maart 2025 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar. Het UWV heeft op 29 april 2025 alsnog beslist op het bezwaar, maar eiser was het niet eens met het bestreden besluit. De rechtbank heeft het beroep op 4 december 2025 behandeld en na afloop van de zitting onmiddellijk uitspraak gedaan.

De rechtbank oordeelde dat eiser geen belang meer had bij een beoordeling van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit, omdat er inmiddels wel een beslissing was genomen. Dit deel van het beroep werd niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep tegen het bestreden besluit werd gedeeltelijk gegrond verklaard. De rechtbank oordeelde dat het UWV in het bestreden besluit niet voldoende had gemotiveerd dat de functie van Medewerker postverzorging geschikt was voor eiser, waardoor deze functie niet geduid kon worden. Dit leidde tot de conclusie dat eiser volledig arbeidsongeschikt was per 29 november 2023.

De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd voor zover het UWV eiser per 29 november 2023 65,25% arbeidsongeschikt beschouwde en heeft bepaald dat eiser met ingang van die datum volledig arbeidsongeschikt is. Tevens werd het UWV veroordeeld tot betaling van het griffierecht en proceskosten aan eiser. De uitspraak werd openbaar gemaakt en partijen werden gewezen op de mogelijkheid om in hoger beroep te gaan.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/1784 WIA
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 december 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser,

(gemachtigde: mr. I.P.J.F. van Oijen),
en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, UWV.

Inleiding

1. Bij besluit van 29 december 2023 heeft het UWV aan eiser, van 22 februari 2022 tot en met 1 maart 2023, een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend. Eiser is volgens het UWV 65,27% arbeidsongeschikt. De toegekende uitkering is gebaseerd op de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Per 2 maart 2023 ontvangt eiser een WGA-vervolguitkering op basis van de klasse 65%-80% arbeidsongeschiktheid.
1.1.
Eiser heeft op 12 maart 2025 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van de beslissing op bezwaar.
1.2.
Het UWV heeft op 29 april 2025 alsnog beslist op het bezwaar en het bestreden besluit genomen. Het UWV heeft in het bestreden besluit de mate van arbeidsongeschiktheid per 22 februari 2022 verhoogd tot 67,20%. Per 29 november 2023 is eiser 65,25% arbeidsongeschikt.
1.3.
Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. De rechtbank heeft de beroepsprocedure voortgezet. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 4 december 2025 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en het UWV is vertegenwoordigd door [naam] .
1.5.
Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de rechtbank

Niet tijdig beslissen op bezwaar
2. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser geen belang meer bij een beoordeling van zijn beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn bezwaar, omdat bij het bestreden besluit inmiddels wel is beslist. Daarom is het beroep – voor zover gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit – niet-ontvankelijk.
Het bestreden besluit
3. Op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), heeft het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit mede betrekking op het alsnog genomen besluit, tenzij dat geheel aan het beroep tegemoet komt. Hiervan is geen sprake, omdat eiser door het bestreden besluit geen hogere uitkering ontvangt.
4. Het beroep tegen het bestreden besluit is naar het oordeel van de rechtbank gedeeltelijk gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5. De rechtbank beoordeelt of het UWV in het bestreden besluit op goede gronden
  • de mate van arbeidsongeschiktheid per 22 februari 2023 tot 67,20% arbeidsongeschiktheid heeft verhoogd en
  • de mate van arbeidsongeschiktheid per 29 november 2023 terecht op 65,25% heeft vastgesteld.
Zij doet dat onder meer aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
6. De beroepsgronden van eiser zien enkel op de arbeidskundige beoordelingen per 22 februari 2022 en per 29 november 2023.
Arbeidsongeschiktheid per 22 februari 2022
7. Eiser heeft voor de beoordeling per 22 februari 2022 aangevoerd dat de functie van Productiemedewerker industrie (SBC-code 111180) niet geduid had mogen worden, omdat de vereiste opleiding niet in deeltijd kan worden gevolgd. Het UWV heeft ter zitting erkend dat deze beroepsgrond juist is. Deze geduide functie komt daarmee te vervallen. Dat betekent dat van de vier geduide functies er nog drie resteren. Omdat de mediane loonwaarde wijzigt, wijzigt ook het arbeidsongeschiktheidspercentage. Het UWV heeft ter zitting toegelicht dat eiser per 22 februari 2022 70,22% arbeidsongeschikt is. Eiser is het daarmee eens.
8. Gelet hierop is het bestreden besluit in strijd met het motiverings- en het zorgvuldigheidsbeginsel. De rechtbank zal aan deze gebreken voorbijgaan met toepassing van artikel 6:22 van de Awb, omdat eiser daardoor niet wordt benadeeld. Naar het oordeel van de rechtbank is dat het geval voor de beoordeling per 22 februari 2022, omdat de indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse 65%-80% en de hoogte van de uitkering hierdoor niet wijzigen.
Arbeidsongeschiktheid per 29 november 2023
9. Ter zake de beoordeling per 29 november 2023 heeft eiser aangevoerd dat de functie Medewerker postverzorging (SBC-code 315140) zijn belastbaarheid voor samenwerken overschrijdt. Er is geen sprake van een eigen afgebakende deeltaak, maar van een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor de afgebakende deeltaak. Volgens het UWV wordt het werk aan het begin van de dag afgestemd c.q. verdeeld, en wordt de belastbaarheid niet overschreden.
9.1.
De beperking voor samenwerken is opgenomen in beoordelingspunt 2.9.1 van de Functionele Mogelijkhedenlijst: eiser “kan met anderen werken, maar met een eigen, van te voren afgebakende deeltaak”. De rechtbank leidt uit de functieomschrijving van deze functie en de rapportage van de arbeidsdeskundige bezwaar & beroep af dat er bij het eerste deel van de werkzaamheden in de snij- en sorteerkamer inderdaad sprake is van een vooraf afgebakende deeltaak. Een ander deel van de werkzaamheden in deze functie betreft het werk in de scanstraat. Er worden gedurende de werkdag meerdere malen stukken gehaald en weggebracht en hiervoor is in de loop van de dag meerdere malen afstemming vereist. Het is de rechtbank niet gebleken dat die afstemming aan het begin van de dag plaatsvindt. De rechtbank is van oordeel dat het UWV onvoldoende heeft gemotiveerd dat deze functie geschikt is voor eiser, omdat niet is gebleken dat sprake is van een eigen, van te voren afgebakende deeltaak. Deze geduide functie komt dan ook te vervallen.
9.2.
Als de functie van Medewerker postverzorging niet geduid kan worden, resteren er nog maar twee functies. Hiermee wordt niet voldaan aan het bepaalde in artikel 9, sub a, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten. Er kunnen onvoldoende functies worden geduid om een resterende verdiencapaciteit te kunnen vaststellen. Dit betekent dat eiser volledig arbeidsongeschikt is per 29 november 2023.

Conclusie en gevolgen

10. Uit het voorgaande volgt dat het beroep gedeeltelijk niet-ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond is.
10.1.
Voor zover het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit is het niet-ontvankelijk.
10.2.
Voor zover het beroep is gericht tegen de beoordeling per 22 februari 2022 is het beroep ongegrond. Dit betekent dat de WIA-uitkering per die datum ongewijzigd blijft.
10.3.
Het beroep gericht tegen de beoordeling per 29 november 2023 is wel gegrond, omdat dit onderdeel van het bestreden besluit in strijd is met artikel 9, sub a, van het Schattingsbesluit. Dit betekent dat het bestreden besluit niet volledig in stand kan blijven. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit, voor zover eiser daarin per 29 november 2023 65,25% arbeidsongeschikt wordt beschouwd.
10.4.
De rechtbank neemt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb nu zelf een beslissing over de periode vanaf 29 november 2023 en bepaalt dat eiser met ingang van die datum volledig arbeidsongeschikt is en kent de daarbij horende WIA-uitkering toe.
10.5.
Omdat het beroep gedeeltelijk gegrond is, moet het UWV het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het UWV moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 3.238,- wegens de verleende rechtsbijstand en is als volgt berekend:
  • aanvulling gronden in bezwaar 0,5 punt, gewicht 1, per punt € 647,- = € 323,50
  • hoorzitting bezwaar 1 punt, gewicht 1, per punt € 647,- = € 647,00
  • beroepschrift niet tijdig beslissen 1 punt, gewicht 0,5, per punt € 907,- = € 453,50
  • beroepschrift inhoudelijk 1 punt, gewicht 1, per punt € 907,- = € 907,00
  • bijwonen zitting 1 punt, gewicht 1, per punt € 907,- =
totaal € 3.238,00
Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet het UWV deze vergoeding betalen aan de gemachtigde.
11. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen deze uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk;
  • verklaart het beroep tegen het bestreden besluit van 29 april 2025 – voor zover dit ziet op de arbeidsongeschiktheid per 22 februari 2022 – ongegrond;
  • verklaart het beroep tegen het bestreden besluit van 29 april 2025 – voor zover dit ziet op de arbeidsongeschiktheid per 29 november 2023 – gegrond;
  • bepaalt dat eiser vanaf 29 november 2023 volledig arbeidsongeschikt is en kent de bijbehorende WIA-uitkering toe;
  • bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde deel van het besluit;
  • bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 53,- aan eiser moet vergoeden;
  • veroordeelt het UWV tot betaling van € 3.238,- aan proceskosten aan de gemachtigde van eiser.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 4 december 2025 door mr. M. Breeman, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J.E. Loontjens, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is niet in de gelegenheid om het proces-verbaal uitspraak te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.