ECLI:NL:RBZWB:2025:8800

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
10 december 2025
Publicatiedatum
11 december 2025
Zaaknummer
C/02/416825 / HA ZA 23-644 (T)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aanneming van werk en bewijsopdracht bij geschil over meer- en minderwerk tussen aannemer en projectontwikkelaar

In deze civiele zaak, behandeld door de Rechtbank Zeeland-West-Brabant, staat de aanneming van werk centraal tussen Bouwbedrijf Rijk B.V. en Ceinturion Ontwikkelingsmaatschappij B.V. De zaak betreft een geschil over de uitvoering van een aannemingsovereenkomst voor de herontwikkeling van een gebouw naar appartementen. Rijk vordert betaling van openstaande facturen en schadevergoeding, terwijl Ceinturion zich verzet en stelt dat Rijk tekortschiet in de nakoming van de overeenkomst. De rechtbank heeft eerder bewijsopdrachten gegeven aan Rijk om aan te tonen dat er afwijkingen zijn van de schriftelijke overeenkomst en dat de in rekening gebrachte meer- en minderwerkposten correct zijn. De partijen hebben deskundigen ingeschakeld om de stand van zaken te beoordelen, maar er zijn onduidelijkheden over de gemaakte afspraken. De rechtbank heeft de zaak aangehouden voor bewijslevering en verdere beslissingen.

Uitspraak

RECHTBANK Zeeland-West-Brabant

Civiel recht
Zittingsplaats Middelburg
Zaaknummer: C/02/416825 / HA ZA 23-644
Vonnis van 10 december 2025
in de zaak van
BOUWBEDRIJF RIJK B.V.,
gevestigd te Heinkenszand,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: Rijk,
advocaat: mr. A.J.K. Fluit,
tegen
CEINTURION ONTWIKKELINGS MAATSCHAPPIJ B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: Ceinturion,
advocaat: mr. Th. C. Visser.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 28 februari 2024 en de daarin genoemde stukken;
- de conclusie van antwoord in reconventie met producties 28 tot en met 32;
- de brief van 23 juli 2024 van mr. Fluit met daarbij de akte overleggen producties met productie 33 tot en met 35;
- de akte wijziging van eis in reconventie tevens akte indienen stukken van 28 augustus 2024;
- de akte wijziging eis in conventie en tevens overleggen producties met productie 36 en 37;
- de akte uitlating producties in conventie tevens akte houdende producties, tevens akte wijziging van eis in reconventie met producties 8 tot en met 25;
- de mondelinge behandeling van 23 mei 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en waaraan de spreekaantekeningen van partijen zijn gehecht.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Rijk is een aannemersbedrijf voor burgerlijke en utiliteitsbouw. Ceinturion richt zich (onder meer) op projectontwikkeling.
2.2.
Tussen Ceinturion als opdrachtgever en Rijk als aannemer is een overeenkomst van aanneming van werk tot stand gekomen inzake de herontwikkeling van het gebouw ‘ [gebouw] ’ in [plaats] naar 17 appartementen in twee fasen. Fase 1 betreft het ontwikkelen van 12 appartementen in het schuurdeel. Fase 2 betreft het ontwikkelen van 5 appartementen in het kopgebouw.
2.3.
Partijen hebben een en ander schriftelijk vastgelegd op 16 februari 2022 (hierna ook: ‘de Aannemingsovereenkomst’).
In de Aannemingsovereenkomst is – voor zover hier relevant – opgenomen dat de opdracht bestaat uit de uitvoering van de werkzaamheden die zijn omschreven in:

Bijlage 1:
Prijsraming d.d. 10-06-2021 en mail d.d. 03-08-2021 prijsoptimalisatie t.b.v. afronding deel 2; Excel overzicht aangepaste werkzaamheden en stelpostlijst
2.4.
Ten aanzien van de aanneemsom is in de Aannemingsovereenkomst opgenomen dat deze € 3.800.000,00 bedraagt. Betaling daarvan zal geschieden in termijnen die worden ingediend naar gelang de voortgang van het werk in overeenstemming met het termijnschema (bestaande uit 19 termijnen).
2.5.
In artikel 14 van de Aannemingsovereenkomst is opgenomen dat de volgende bijlagen integraal onderdeel uitmaken van de tussen partijen geldende overeenkomst:

- Prijsraming d.d. 10-06-2021
  • Mail prijsoptimalisatie t.b.v. afronding deel 2 d.d. 03-08-2021 inclusief Excel overzicht de dato 07 augustus 2021 met afgesproken stelposten
  • DO tekeningen [architectenbureau] d.d. 19-04-2021.
  • Technische Omschrijving (TO) versie 02 februari 2022
  • Algemene Voorwaarden voor Aanneming van werk 2013 ( AVA 2013 ), vastgesteld door Bouwend Nederland d.d. 27 maart 2013, herzien december 2014
  • Termijnschema [kenmerk] [plaats] [gebouw] d.d. 10-09-021 of later
  • Plan van Aanpak (PvA) beschermde dieren.
2.6.
Op 6 juni 2022 zijn partijen (in het kader van de omzetbelasting) aanvullende afspraken overeengekomen. Deze afspraken zijn schriftelijk vastgelegd als ‘Nadere afspraken Hofstede [gebouw] [plaats] ’. Voor zover hier van belang is daarin opgenomen dat Centurion de eerder overeengekomen betalingen telkens en tijdig (als voorschot) zal blijven voldoen.
2.7.
Rijk heeft in overeenstemming met het termijnschema facturen in rekening gebracht bij Ceinturion. Ook heeft Rijk een meer/minderwerkfactuur in rekening gebracht. Door Ceinturion zijn de volgende facturen niet voldaan:
  • [factuur 1] (16 maart 2023): termijn 13, € 134.117,65;
  • [factuur 2] (23 maart 2023): termijn 9, € 214.588,24;
  • [factuur 3] (19 april 2023): termijn 16, € 134.117,65;
  • [factuur 4] (19 april 2023): termijn 17, € 134.117,65;
  • [factuur 5] (30 mei 2023): termijn 18, € 100.235,29;
  • [factuur 6] (6 juli 2023): meer/minderwerk, € 249.520,90;
  • [factuur 7] (13 oktober 2023): termijn 19, € 53.647,01.
2.8.
Op 30 juni 2023 heeft Rijk een aanmaning aan Ceinturion gestuurd voor de op dat moment openstaande facturen.
2.9.
In haar reactie van 13 juli 2023 heeft Ceinturion (althans haar advocaat) zich op het standpunt gesteld dat zij niets hoeft te betalen en heeft zij Rijk in gebreke gesteld en gesommeerd haar werkzaamheden te hervatten.
2.10.
Op 5 oktober 2023 is door de voorzieningenrechter van deze rechtbank aan Ceinturion verlof verleend tot het leggen van conservatoir beslag op diverse bankrekeningen van Rijk.
2.11.
Rijk heeft in kort geding opheffing van voornoemde beslagen gevorderd. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in dat kort geding op 18 oktober 2023 hebben partijen afspraken met elkaar gemaakt, welke zijn vastgelegd in een proces-verbaal (hierna ook: ‘het PV van 18 oktober 2023’). Hierin is – voor zover in dit geding relevant – opgenomen dat partijen opdracht geven aan [naam 1] van [bedrijf 1] (hierna ook: ‘ [naam 1] ’) en aan [bedrijf 2] om de stand van zaken op te nemen van het tot dan toe uitgevoerde werk in fase 1 op grond van de Aannemingsovereenkomst en de aanvullende afspraken. Op basis daarvan dient vervolgens te worden bepaald wat Ceinturion nog moet betalen en welke werkzaamheden Rijk nog dient uit te voeren. Ook hebben partijen bepaald dat, indien de deskundigen de hen voorgelegde vragen niet eensluidend beantwoorden, zij samen een derde-deskundige zullen aanwijzen die een beslissend oordeel zal geven.
2.12.
[naam 1] en de heer [naam 2] van [bedrijf 2] (hierna ook: ‘ [naam 2] ’) hebben de opdracht van partijen aanvaard, maar zijn niet tot een gezamenlijk gedragen rapport gekomen.
2.13.
Partijen hebben daarna over en weer diverse kort gedingen aanhangig gemaakt. Voor zover hier van belang, hebben partijen op 22 maart 2024 (opnieuw) afspraken met elkaar gemaakt, welke zijn vastgelegd in een proces-verbaal (hierna ook: ‘het PV van 22 maart 2024’). Daarin is onder meer opgenomen dat partijen een derde-deskundige zullen aanwijzen die een bindend advies zal uitbrengen omtrent de stand van het werk, een en ander zoals bepaald in het PV van 18 oktober 2023.
2.14.
Als voornoemde derde-deskundige hebben partijen (uiteindelijk) Sweco Nederland B.V. (hierna ook: ‘Sweco’) opdracht gegeven. Sweco heeft op 11 april 2025 haar rapport uitgebracht (hierna ook: ‘het rapport van Sweco’).

3.Het geschil

in conventie
3.1.
Rijk vordert - na wijziging van eis – dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
Primair:
Ceinturion zal veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen aan Rijk het door Sweco vastgestelde bedrag naar de stand van de peildatum, te vermeerderen met de contractuele rente (conform art. 11.1 AVA 2013) over dat bedrag vanaf de vervaldag van de betreffende facturen tot de dag van volledige betaling;
Ceinturion zal veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen aan Rijk een bedrag van € 228.028,40 (zijnde het verschil tussen het meer/minderwerk per 07-10-2022 en het meer/minderwerk per 06-07-2023), dan wel een zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie juist acht, te vermeerderen met de contractuele rente (conform art. 11.1 AVA 2013) over dat bedrag vanaf de vervaldag van de betreffende factuur tot de dag van volledige betaling;
Ceinturion zal veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen aan Rijk een bedrag van € 53.647,00 (zijnde factuur [factuur 7] ), te vermeerderen met de contractuele rente (conform art. 11.1 AVA 2013) over dat bedrag vanaf de vervaldag van de betreffende facturen tot de dag van volledige betaling;
Subsidiair:
4. Ceinturion zal veroordelen om ter zake de in de dagvaarding genoemde vorderingen tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen aan Rijk een bedrag van € 1.065.138,12, te vermeerderen met de contractuele rente (conform art. 11.1 AVA 2013) over een bedrag van € 1.020.344,39 vanaf 28 november 2023 tot de dag van volledige betaling;
5. Ceinturion zal veroordelen om ter zake de in de dagvaarding genoemde vorderingen de factuur inzake 2% na afloop onderhoudstermijn ten bedrag van € 53.647,00 tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen aan Rijk;
Primair en subsidiair:
6. voor recht zal verklaren dat Ceinturion in verzuim verkeert als gevolg van het niet tijdig voldoen van de door Rijk verzonden facturen, dan wel één van die facturen, op grond waarvan Rijk rechtsgeldig haar werkzaamheden als gevolg daarvan heeft opgeschort;
7. Ceinturion zal veroordelen tot vergoeding van die schade die Rijk heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van het handelen van Ceinturion, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
8. Ceinturion zal veroordelen om ter zake de in deze dagvaarding genoemde beslagkosten, tot op 27 november 2023, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, te voldoen aan Rijk een bedrag van € 872,11, te vermeerderen met de nog te verschijnen beslagkosten, dan wel een zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie juist acht;
9. Ceinturion zal veroordelen tot vergoeding van de door Rijk gemaakte kosten in deze procedure, waaronder ook gemachtigdensalaris, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de veertiende dag na die waarop Ceinturion van het in dezen te wijzen vonnis op de hoogte is gebracht en is gesommeerd om daaraan te voldoen en in de nakosten, begroot op een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag.
3.2.
Ceinturion voert verweer. Ceinturion concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Rijk, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van Rijk, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Rijk in de kosten van deze procedure.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
3.4.
Ceinturion vordert – na wijziging van eis – dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
voor recht zal verklaren dat Rijk toerekenbaar tekortschiet in de nakoming van de op haar rustende verplichtingen uit hoofde van de met Ceinturion gesloten aannemingsovereenkomst, en dat Rijk sinds september 2022 in verzuim verkeert, althans dat Rijk in schuldeisersverzuim verkeert;
het rapport van Sweco van 11 april 2025 buiten beschouwing zal laten bij de beoordeling van de vorderingen van Rijk en een nieuwe onafhankelijke deskundige zal benoemen.
3.5.
Rijk voert verweer. Rijk concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Ceinturion, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van Ceinturion, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Ceinturion in de kosten van deze procedure.
in conventie en in reconventie
3.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

in conventie en in reconventie
4.1.
Partijen stellen zich ieder op het standpunt dat de andere partij tekort is geschoten in de nakoming van de tussen hen geldende overeenkomst met betrekking tot de herontwikkeling van [gebouw] . Rijk stelt (kort gezegd) dat zij haar werkzaamheden heeft opgeschort omdat Ceinturion niet alle in rekening gebrachte facturen (tijdig) heeft voldaan. Ceinturion stelt op haar beurt dat zij die facturen nog niet hoefde te betalen, omdat Rijk niet alle werkzaamheden die aan die termijnfacturen zijn gebonden heeft uitgevoerd en voor het meer-/minderwerk geen akkoord is gegeven.
Rapport Sweco
4.2.
Partijen verkeren dus in een patstelling. Om daaruit te raken zijn partijen overeengekomen dat twee deskundigen ( [naam 1] en [naam 2] ) worden benoemd om de stand van het werk per 18 oktober 2023 vast te stellen. Op die manier kan worden vastgesteld welke werkzaamheden al zijn uitgevoerd – en waarvoor Ceinturion dus moet betalen – en welke werkzaamheden nog moeten worden uitgevoerd door Rijk. Partijen zijn ook overeengekomen dat, in het geval dat [naam 1] en [naam 2] niet tot een gezamenlijk gedragen rapport komen, zij een derde-deskundige zullen aanwijzen die een bindend advies zal uitbrengen ten aanzien van de punten waarop [naam 1] en [naam 2] het niet eens zijn. Die afspraak hebben partijen nog eens bevestigd in het PV van 22 maart 2024 en zij hebben gezamenlijk Sweco als bedoelde derde-deskundige aangewezen. Sweco heeft een rapport uitgebracht. Op grond van de afspraken tussen partijen, heeft in beginsel te gelden dat dit rapport voor partijen bindend is.
4.3.
Desondanks vordert Ceinturion (in reconventie) dat het rapport van Sweco buiten beschouwing wordt gelaten omdat daartegen volgens Ceinturion zwaarwegende bezwaren bestaan. Eén van die bezwaren, is dat Sweco onjuiste uitgangspunten heeft gehanteerd bij het opstellen van haar rapport. Partijen twisten namelijk over de vraag wat zij precies zijn overeengekomen ten aanzien van het door Rijk uit te voeren werk. Om te kunnen beoordelen of Sweco al dan niet van de juiste uitgangspunten is uitgegaan – en dus of het rapport van Sweco bruikbaar is voor de beoordeling van het geschil tussen partijen – zal eerst moeten worden vastgesteld wat partijen zijn overeengekomen ten aanzien van het uit te voeren werk. Mede gelet op de toelichtingen van partijen tijdens de mondelinge behandeling van 23 mei 2025 is de rechtbank van oordeel dat te veel onduidelijkheden bestaan op dat punt en overweegt daarom als volgt.
4.4.
De rechtbank stelt voorop dat partijen een schriftelijke Aannemingsovereenkomst hebben gesloten. Daarin is duidelijk opgenomen welke andere documenten (bijlagen) daarvan onderdeel zijn (zie r.o. 2.3 en 2.5). In beginsel is dit het uitgangspunt om te bepalen wat partijen zijn overeengekomen.
4.5.
Rijk heeft in deze procedure echter aangevoerd dat naast en in afwijking van de documenten die zijn omschreven in de Aannemingsovereenkomst andere documenten onderdeel uitmaken van de overeenkomst. Zo is volgens Rijk niet de Technische Omschrijving (TO) versie 02 februari 2022 (hierna ook: ‘TO 2022’) onderdeel van de Aannemingsovereenkomst, maar de versie van 12 juli 2021 (hierna ook: ‘TO 2021’). De TO 2022 zou volgens Rijk alleen zijn op gesteld ten behoeve van de kopers van de appartementen en geen werking hebben tussen partijen. Dit wordt door Ceinturion betwist. Ook heeft Rijk een aantal documenten in het geding gebracht als (gewijzigde) productie 3, bij akte van 23 juli 2024. Deze zijn niet (schriftelijk) opgenomen in de Aannemingsovereenkomst. Ceinturion heeft evenwel nadrukkelijk erkend dat een aantal van de documenten die als productie 3.2 in het geding zijn gebracht onderdeel zijn van de tussen partijen gemaakte afspraken. De rechtbank stelt daarom vast dat deze documenten onderdeel zijn van de Aannemingsovereenkomst. Het betreft:
  • Bijlage 1: prijsraming d.d. 10-06-2021 en mail prijsoptimalisatie t.b.v. afronding deel 2 d.d. 03-08-2021 inclusief Excel overzicht aangepaste werkzaamheden en stelpostenlijst. (Deze documenten zijn ook opgenomen in de schriftelijke Aannemingsovereenkomst);
  • De brief van Rijk aan [makelaar] van 10 juni 2021 met de daarbij gevoegde “Herziene prijsaanbieding Realisatie van 17 appartementen in [gebouw] , [adres] ;
  • Het exceloverzicht Raming 5 appartementen [gebouw] [plaats] kopgebouw 2021-06-09 met printdatum 10-6-2021;
  • De e-mail van [naam 3] aan [naam 4] en [naam 5] d.d. 3 augustus 2021 (FW: prijsoptimalisatie afronding deel 2).
Voor wat betreft productie 3.1, de overige documenten bij productie 3.2 en productie 3.3 tot en met 3.8 betwist Ceinturion dat deze onderdeel zijn van de overeenkomst.
4.6.
Gelet op het voorgaande overweegt de rechtbank dat Rijk ingevolge artikel 150 Rv de stelplicht en zo nodig bewijslast draagt van haar stelling dat is afgeweken van de schriftelijke Aannemingsovereenkomst. Omdat Rijk haar stellingen in dit verband voldoende heeft onderbouwd en deze door Ceinturion gemotiveerd worden betwist en Rijk ter zake een voldoende concreet bewijsaanbod heeft gedaan, zal de rechtbank Rijk in de gelegenheid stellen bewijs te leveren van haar stelling dat partijen in afwijking van de schriftelijke overeenkomst zijn overeengekomen dat zou worden gebouwd aan de hand van de TO 2021 en dat de als productie 3.1 tot en met 3.8 in het geding gebrachte documenten die niet door Ceinturion zijn erkend, onderdeel uitmaken van de overeenkomst tussen partijen.
Meer- en minderwerk
4.7.
Rijk vordert in conventie (zowel primair als subsidiair) betaling van in rekening gebracht meer- en minderwerk. In dat verband verwijst zij naar het detailoverzicht van het meer- en minderwerk dat zij als productie 30 in het geding heeft gebracht en stelt zij dat in totaal een bedrag van € 499.565,40 aan meer- en minderwerk door Ceinturion dient te worden betaald, waarvan reeds € 135.768,50 is voldaan. Volgens Rijk volgt uit die betaling door Ceinturion dat zij akkoord is gegaan met het meer- en minderwerk. Ceinturion neemt op haar beurt het standpunt in dat deze posten niet zijn aan te merken als meer- en minderwerk, dan wel dat zij daarmee niet akkoord is gegaan. Ceinturion meent dus dat zij het bedrag van € 135.768,50 niet had hoeven te betalen. De rechtbank begrijpt daaruit dat zij zich daarmee beroept op verrekening.
4.8.
Hoewel de rechtbank – mede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen – in dit stadium niet kan vaststellen of iets al dan niet buiten het overeengekomen werk valt en dus (mogelijk) als meer- of minderwerk is aan te merken, overweegt de rechtbank vanuit proceseconomische redenen op dit punt als volgt. In artikel 7:755 BW is bepaald dat de aannemer (in dit geval Rijk) alleen een verhoging van de aanneemsom kan vorderen wanneer sprake is van door de opdrachtgever (in dit geval Ceinturion) gewenste toevoegingen of veranderingen in het overeengekomen werk en wanneer de aannemer de opdrachtgever tijdig heeft gewezen op de noodzaak van die prijsverhoging of de opdrachtgever die noodzaak uit zichzelf had moeten begrijpen. Omdat Rijk in dit geval stelt dat de in productie 30 genoemde posten géén onderdeel uitmaken van de Aannemingsovereenkomst en dat zij Ceinturion erop heeft gewezen dan wel dat Ceinturion had moeten begrijpen dat hiervoor extra kosten in rekening zouden worden gebracht, en dit door Ceinturion wordt betwist, zal de rechtbank Rijk op dit punt eveneens in de gelegenheid stellen bewijs te leveren van haar stelling.
Vervolg van de procedure
4.9.
In verband met hetgeen hiervoor is overwogen geeft de rechtbank (zoals ook tijdens de mondelinge behandeling benoemd) het volgende aan partijen mee. De voorgaande bewijsopdrachten zullen ertoe leiden dat kan worden bepaald of Sweco in haar rapport is uitgegaan van de juiste uitgangspunten. Is dit het geval, dan geldt als uitgangspunt dat het rapport van Sweco – zoals partijen zijn overeengekomen – bindend is. Indien evenwel blijkt dat Sweco niet is uitgegaan van de juiste uitgangspunten, zal een nieuw deskundigenrapport tot stand moeten komen waarin wél de juiste uitgangspunten worden gehanteerd. Omdat Ceinturion bezwaren heeft geuit tegen de handelswijze van Sweco en vanwege het moeizame verloop tussen partijen, hecht de rechtbank er in dat geval waarde aan om zelf een deskundige te benoemen en de aan de deskundige te stellen vragen te formuleren, zodat het geschil tussen partijen gericht kan worden beslecht. Uiteraard mogen partijen zich te zijner tijd uitlaten over de persoon van de deskundige en de aan de deskundige te stellen vragen.
4.10.
In afwachting van de bewijslevering wordt iedere verdere beslissing aangehouden.

5.De beslissing

De rechtbank
in conventie
5.1.
draagt Rijk op te bewijzen dat partijen in afwijking van de schriftelijke overeenkomst zijn overeengekomen dat zou worden gebouwd aan de hand van de TO 2021 en dat de als productie 3.1 tot en met 3.8 in het geding gebrachte documenten die niet door Ceinturion zijn erkend (zoals onder r.o. 4.5 opgesomd) onderdeel uitmaken van de overeenkomst tussen partijen,
5.2.
draagt Rijk op te bewijzen dat de in productie 30 genoemde posten géén onderdeel uitmaken van de Aannemingsovereenkomst en dat zij Ceinturion erop heeft gewezen dan wel dat Ceinturion had moeten begrijpen dat hiervoor extra kosten in rekening zouden worden gebracht,
5.3.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van
woensdag 4 februari 2026voor uitlating door Rijk of zij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel,
5.4.
bepaalt dat, als Rijk geen bewijs door het horen van getuigen wil leveren maar wel
bewijsstukkenwil overleggen, zij die stukken dan direct in het geding moet brengen,
5.5.
bepaalt dat, als Rijk
getuigenwil laten horen, zij de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden
februaritot en met
septemberdan direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,
5.6.
bepaalt dat het getuigenverhoor zal plaatsvinden op de zitting van mr. E.A. Mulders, in het gerechtsgebouw te Middelburg, Kousteensedijk 2,
5.7.
bepaalt dat
alle partijenuiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor
alle beschikbare bewijsstukkenaan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,
in conventie en in reconventie
5.8.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. Mulders en in het openbaar uitgesproken op 10 december 2025.