ECLI:NL:RBZWB:2025:88

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
9 januari 2025
Publicatiedatum
9 januari 2025
Zaaknummer
BRE 23/10246 en BRE 23/10247
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en zorgverzekeringswet door de Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Op 9 januari 2025 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in de zaken BRE 23/10246 en BRE 23/10247, waarbij belanghebbende in beroep ging tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van de belastingdienst. De inspecteur had aan belanghebbende over het jaar 2016 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd, evenals een navorderingsaanslag voor de Zorgverzekeringswet. Belanghebbende had bezwaar gemaakt tegen deze aanslagen, maar de inspecteur verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank heeft de beroepen op 28 november 2024 behandeld, waarbij de inspecteur vertegenwoordigd was door twee gemachtigden, maar belanghebbende niet aanwezig was.

De rechtbank heeft beoordeeld of de aanslagen terecht en naar de juiste hoogte zijn opgelegd. Belanghebbende betwistte de correcties die de inspecteur had aangebracht, waaronder de 'tegoedschrijving kinderen' en de concernbijdrage. De rechtbank oordeelde dat belanghebbende niet voldoende bewijs had geleverd om aan te tonen dat deze kosten daadwerkelijk waren gemaakt en dat ze verband hielden met de zakelijke belangen van de onderneming. De rechtbank concludeerde dat de aanslagen terecht waren opgelegd en dat de beroepen ongegrond waren. Belanghebbende kreeg geen griffierecht terug en ook geen vergoeding van proceskosten. De uitspraak werd openbaar gemaakt en partijen werden geïnformeerd over de mogelijkheid tot hoger beroep.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 23/10246 en 23/10247

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 januari 2025 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en

de inspecteur van de belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 7 september 2023.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende over het jaar 2016 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 35.331 en naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van nihil. Gelijktijdig met de vaststelling van de navorderingsaanslag heeft de inspecteur belanghebbende € 1.528 belastingrente in rekening gebracht. De inspecteur heeft aan belanghebbende over het jaar 2016 ook een navorderingsaanslag inkomensafhankelijke bijdragen voor de Zorgverzekeringswet (Zvw) opgelegd naar een bijdrage-inkomen van € 910. Gelijktijdig met de vaststelling van de navorderingsaanslag heeft de inspecteur belanghebbende € 190 belastingrente in rekening gebracht (de aanslagen).
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft de beroepen op 28 november 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] . Namens belanghebbende is met bericht van verhindering niemand verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de aanslagen terecht en naar de juiste hoogte zijn opgelegd. Ook beoordeelt zij of de beroepen ontvankelijk zijn. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
3. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de aanslagen terecht en naar de juiste hoogte opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

4. Belanghebbende is gehuwd met [naam] . Uit het huwelijk zijn drie kinderen geboren.
4.1.
Belanghebbende en zijn echtgenote zijn ieder voor 50% firmant in de [VOF] (de VOF). De VOF verricht las- en timmerwerkzaamheden en landbouwactiviteiten.
4.2.
Belanghebbende en zijn echtgenote zijn ieder voor 50% aandeelhouder van [BV] (de BV).
4.3.
De inspecteur heeft een onderzoek ingesteld naar de aanvaardbaarheid van de ingediende aangiften IB/PVV van belanghebbende over de jaren 2016 tot en met 2019 alsmede naar de aanvaardbaarheid van de door de bv ingediende aangiften vennootschapsbelasting (Vpb) over de jaren 2016 tot en met 2019. De uitkomsten van het onderzoek zijn opgenomen in een controlerapport. Het controlerapport vermeldt onder meer:
“(…)
3.3.3
Tegoedschrijving kinderen
Onder de kosten loonwerken is elk jaar een bedrag ad. € 2.600 opgenomen met als omschrijving: Tegoedschrijving kinderen.
In de administratie zijn geen bescheiden voor deze kosten aangetroffen. Tijdens de controle heb ik geen onderbouwing van deze kosten ontvangen. Deze kosten worden gecorrigeerd.
2016 2017 2018 2019
3.3.3
correctie tegoedschrijven kinderen € 2.600 € 2.600 € 2.600 € 2.600
3.3.4
Concernvergoedingen
In de jaren 2016 tot en met 2018 heeft [BV] concernvergoedingen aan [VOF] in rekening gebracht.
Deze concernvergoedingen (zowel de bate als de last) worden door de Belastingdienst niet geaccepteerd, omdat een zakelijk verband tussen de vergoeding en de bedrijfsuitoefening ontbreekt.
Dit heeft de volgende correcties tot gevolg voor de VOF:
3.3.4 2016
minder kosten € 40.000
3.3.4 2017
minder kosten € 50.000
3.3.4 2018
minder kosten € 6.000
(…)”

Motivering

Mogen de tegoedschrijvingen kinderen en de concernbijdragen ten laste van het resultaat van de VOF worden gebracht?
5. Belanghebbende is van mening dat de ‘tegoedschrijving kinderen’ en de concernbijdrage ten onrechte door de inspecteur zijn gecorrigeerd. De concernbijdrage is mondeling overeengekomen tussen de VOF en de BV en ziet op advisering en aansturing van de VOF door de BV. De tegoedschrijving kinderen ziet op een vergoeding voor de kinderen in verband met door de kinderen verrichte werkzaamheden op het erf rond het bedrijf.
5.1.
De inspecteur betwist dat de kosten daadwerkelijk zijn gemaakt en stelt dat als aannemelijk zou zijn dat de kosten gemaakt zijn, wat niet zo is, de kosten niet zijn gemaakt met het oog op de zakelijke belangen van de VOF.
5.2.
De rechtbank overweegt als volgt. Ten aanzien van de aftrekbaarheid van ondernemingskosten, zoals de gestelde ‘concernbijdrage’ en ‘tegoedschrijving kinderen’, rust de bewijslast op belanghebbende om bij betwisting aannemelijk te maken dat kosten zijn gemaakt en dat zij zijn gemaakt met het oog op de zakelijke belangen van de onderneming. Belanghebbende heeft enkel een concept concernbijdrage-overeenkomst overgelegd. Door belanghebbende zijn geen nadere stukken overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat de concernbijdrage daadwerkelijk gebaseerd is op verleende diensten van de BV of voor welke prestaties of activiteiten de concernbijdrage wordt betaald. Ten aanzien van de aftrekbaarheid van de tegoedschrijving kinderen zijn door belanghebbende evenmin stukken overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat de kinderen werkzaamheden tegen vergoeding hebben verricht. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende de gestelde kosten niet aannemelijk gemaakt.
5.3.
Het voorgaande betekent dat de aanslagen terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd.
Belastingrente
6. De beroepen worden geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikking. Hierbij wijst de rechtbank belanghebbende erop dat het bedrag van de belastingrente het bedrag van de aanslag volgt.

Conclusie en gevolgen

7. De beroepen zijn ongegrond. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is op 9 januari 2025 gedaan door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. de Vos, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.