Uitspraak
1.[huurder 1] ,
2.
[huurder 2],
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
In deze civiele bodemzaak vordert de verhuurder betaling van een huurachterstand van €34.109,40 over de periode februari 2023 tot en met juli 2024. De huurovereenkomst is alleen door huurder 1 ondertekend, maar huurder 2, zijn echtgenote, woont ook in de woning. Huurder 1 verschijnt niet, huurder 2 betwist medehuurderschap en beroept zich op redelijkheid en billijkheid.
De kantonrechter oordeelt dat huurder 2 van rechtswege medehuurder is op grond van artikel 7:266 lid 1 BW Pro, omdat zij gehuwd is met huurder 1 en de woning als hoofdverblijf heeft. Haar beroep op redelijkheid en billijkheid faalt omdat zij onvoldoende feiten heeft gesteld om het medehuurderschap onaanvaardbaar te achten. De vordering tot betaling van de huurachterstand wordt daarom toegewezen.
Daarnaast wordt de wettelijke rente vanaf 19 maart 2025 toegewezen en worden beide huurders hoofdelijk veroordeeld tot betaling van de proceskosten. Huurder 2 wordt bovendien veroordeeld in de proceskosten die voortvloeien uit haar verschijnen in de procedure. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: De huurders worden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van de huurachterstand, wettelijke rente en proceskosten.