ECLI:NL:RBZWB:2025:8794

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
18 november 2025
Publicatiedatum
11 december 2025
Zaaknummer
C/02/439589 JE RK 25-1632
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Sumner
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArtikel 2 Besluit gezagsregisters
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ondertoezichtstelling minderjarige wegens bedreigde ontwikkeling door contactgebrek met vader

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht de kinderrechter om een minderjarige onder toezicht te stellen vanwege ernstige bedreiging van haar ontwikkeling door het ontbreken van contact met haar vader. De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit, maar de minderjarige woont bij de moeder en weigert contact met de vader. De vrijwillige hulpverlening bleek onvoldoende om de situatie te verbeteren.

Tijdens de zitting, die met gesloten deuren plaatsvond, werd vastgesteld dat de communicatie- en samenwerkingsproblemen tussen ouders het contact tussen de minderjarige en haar vader structureel belemmeren. De minderjarige ervaart hierdoor ook een bedreiging van haar identiteitsontwikkeling, omdat zij zich niet kan spiegelen aan beide ouders. Incidenten in het verleden, waaronder het geven van medicatie en fysieke straf door de vader, werden erkend en besproken.

De moeder verzocht het verzoek af te wijzen vanwege zorgen over de veiligheid van de minderjarige bij de vader en gebrek aan vertrouwen in de hulpverleningsinstantie William Schrikker Stichting. De vader stemde in met de ondertoezichtstelling en toonde bereidheid tot samenwerking.

De kinderrechter oordeelde dat de ontwikkeling van de minderjarige ernstig wordt bedreigd en dat de vrijwillige hulpverlening tekortschiet. Daarom is een ondertoezichtstelling noodzakelijk voor de duur van een jaar, met als doelen het herstellen van contact tussen de minderjarige en haar vader onder professionele begeleiding, het waarborgen van een veilige opvoedingsomgeving en het bevorderen van de identiteitsontwikkeling. De uitvoering wordt toegewezen aan Stichting Jeugdbescherming Brabant.

De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en kan binnen drie maanden in hoger beroep worden aangevochten.

Uitkomst: De kinderrechter stelt de minderjarige onder toezicht voor de duur van één jaar om contactherstel en identiteitsontwikkeling te bevorderen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/439589 / JE RK 25-1632
Datum uitspraak: 18 november 2025
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,
Zeeland–West-Brabant, Breda,
hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedag] 2015 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. J.J. Bronsveld uit Bergen op Zoom,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [plaats] ,
advocaat mr. K.J. Kanning uit Assen.
De kinderrechter merkt als informant aan:
de gecertificeerde instelling
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Etten-Leur,
hierna te noemen de GI.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 9 september 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 18 november 2025. Tijdens deze zitting zijn ook de verzoeken van de vader en de moeder gericht op het contact tussen de man en [minderjarige] , bekend onder zaaknummer C/02/428626 / FA RK 24-5261, behandeld.
Daarbij waren aanwezig:
- de vader met zijn advocaat;
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de Raad;
- een vertegenwoordiger van de GI.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont bij haar moeder.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
Namens de Raad wordt aangevoerd dat er sprake is van een ernstig bedreigde ontwikkeling van [minderjarige] , als gevolg van de aanhoudende communicatie- en samenwerkingsproblemen tussen ouders, waardoor structureel contact tussen [minderjarige] en vader ontbreekt. Waar gedurende het raadsonderzoek bij [minderjarige] nog ruimte leek voor contactherstel met vader, wijst zij inmiddels het contact met vader volledig af zoals is gebleken tijdens het kindgesprek van de kinderrechter met [minderjarige] . Het lijkt de moeder niet te lukken om [minderjarige] emotionele toestemming te geven voor contact met de vader. De Raad vindt een ondertoezichtstelling noodzakelijk om tot contactherstel tussen [minderjarige] en de vader te komen. Hiervoor is het noodzakelijk dat eerst een herstelgesprek tussen [minderjarige] en de vader plaatsvindt onder begeleiding van een professional. Daarnaast stelt de Raad dat er sprake is van een bedreiging in de identiteitsontwikkeling van [minderjarige] zolang zij het contact met de vader volledig afhoudt. [minderjarige] is een kind van beide ouders en zij moet zich zelf een beeld kunnen vormen van de vader en kunnen spiegelen aan beide ouders. Het doet veel met de eigenwaarde van [minderjarige] dat zij zich afvraagt of de man wel van haar houdt. Passende hulpverlening voor de sociaal, emotionele en cognitieve ontwikkeling van [minderjarige] in het vrijwillige kader komt niet van de grond. De Raad handhaaft het verzoek om [minderjarige] onder toezicht te stellen van de GI voor de duur van één jaar.
4.2.
Door en namens de moeder wordt verzocht het verzoek van de Raad af te wijzen. De zorgen die worden genoemd zien met name op het ontbreken van het contact tussen [minderjarige] en de vader. Verder gaat het goed met [minderjarige] . Er hebben incidenten plaatsgevonden in de thuissituatie van de vader en de moeder heeft het contact tussen de vader en [minderjarige] stop gezet om de veiligheid van [minderjarige] te waarborgen. De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen om toe te werken naar contactherstel tussen [minderjarige] en de vader. De moeder vindt het niet in het belang van [minderjarige] om nu toe te werken naar contactherstel met de vader, zonder dat is onderzocht hoe ervoor kan worden gezorgd dat [minderjarige] veilig is bij de vader. De moeder heeft geen vertrouwen in de vader en zij is alle procedures beu. Indien het verzoek van de Raad wordt toegewezen verzoekt de moeder de GI te belasten met de uitvoering en niet de William Schrikker Stichting, omdat zij gelet op het verleden geen vertrouwen heeft in de William Schrikker Stichting.
4.3.
Door en namens de vader wordt ingestemd met de verzochte ondertoezichtstelling van [minderjarige] . De vader erkent dat er dingen niet goed zijn gegaan. Hij wil graag met [minderjarige] in gesprek om haar uit te leggen dat wat hij heeft gedaan verkeerd is en dit niet meer zal gebeuren. Het uitblijven van contact tussen de vader en [minderjarige] heeft een negatief effect op [minderjarige] . De vader is bereid overal aan mee te werken in het kader van de ondertoezichtstelling.
4.4.
Namens de GI wordt aangevoerd dat wanneer de ondertoezichtstelling wordt uitgesproken er niet meteen een jeugdbeschermer wordt aangesteld, maar de zaak eerst door het Provinciaal Instroom Team (PIT) wordt opgepakt. Wanneer de uitvoering van de ondertoezichtstelling bij de William Schrikker Stichting wordt belegd is er wel direct een jeugdbeschermer beschikbaar. Wanneer de GI wordt belast met de uitvoering van de ondertoezichtstelling zal een contacthersteltraject worden gestart. Gedurende het contacthersteltraject zal eerst worden bekeken waarom het contact is verbroken en vervolgens op welke wijze contactherstel mogelijk is. Het contacthersteltraject laat de GI uitvoeren door een andere instantie en het PIT kan hiervoor de aanmelding al doen. Daarnaast denkt de GI dat individuele hulpverlening voor [minderjarige] nodig is.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter kan op grond van artikel 1:255 eerste Pro lid BW een minderjarige onder toezicht stellen van een GI wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Daarnaast moet:
de zorg die in verband met het wegnemen van deze bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouder(s) die het gezag uitoefenen, niet of onvoldoende worden geaccepteerd door hen, en
de verwachting gerechtvaardigd zijn dat de ouder(s) die het gezag uitoefenen de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige in staat zijn te dragen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbare termijn.
5.2.
Op basis van de stukken en de behandeling ter zitting is de kinderrechter van oordeel dat de ontwikkeling van [minderjarige] ernstig wordt bedreigd. Gezien wordt dat [minderjarige] schreeuwt om hulp. Ze kampt met een probleem, namelijk het vraagstuk rondom haar vader. Op dit moment kiest zij ervoor om het probleem te negeren en het contact met de vader volledig af te wijzen. De weerstand van [minderjarige] tegen contact met de vader is groot en van de moeder kan niet verwacht worden dat zij de weerstand van [minderjarige] verminderd. Wel zal duidelijk moeten worden of het eigen weerstand is van [minderjarige] of overgenomen weerstand. De ontwikkelingsbedreiging is niet alleen gelegen in het ontbreken van contact met de vader, maar door de afwijzing van [minderjarige] van contact met haar vader komt ook haar identiteitsontwikkeling in het geding. Het is noodzakelijk dat hiervoor gerichte hulpverlening wordt ingezet, zodat [minderjarige] zelf een beeld van haar vader kan vormen en toe kan komen aan haar identiteitsontwikkeling.
5.3.
In het verleden hebben er incidenten (vader heeft [minderjarige] zijn medicatie gegeven en [minderjarige] een tik gegeven) plaatsgevonden in de thuissituatie van de vader. Deze incidenten worden door de vader ook erkend. Door [minderjarige] wordt ook aangegeven dat zij vaker een tik van vader heeft gekregen en zij ook door hem is geschopt. Het is in het belang van [minderjarige] dat hierover gesproken wordt en dat zij van de vader te horen krijgt dat zij slachtoffer is van de door de man gemaakte fouten. Dit gesprek dient plaats te vinden onder begeleiding van een professional.
5.4.
Het lukt de ouders niet om de benodigde hulpverlening voor [persoon] , maar ook voor henzelf, in het vrijwillige kader te organiseren. Hierdoor blijft de ontstane impasse in stand en komt [persoon] onvoldoende toe aan haar identiteitsontwikkeling. Dit maakt dat de kinderrechter een ondertoezichtstelling noodzakelijk vindt, zodat de benodigde hulpverlening voor [minderjarige] gewaarborgd wordt, maar ook haar veiligheid in een contacthersteltraject.
5.5.
De ondertoezichtstelling is daarom in dit geval nodig. De kinderrechter stelt [minderjarige] onder toezicht voor de duur van een jaar. In het kader van de ondertoezichtstelling moet worden gewerkt aan de volgende doelen:
  • [minderjarige] groeit op in een stabiele en veilige opvoedingsomgeving, waarin zij niet belast wordt met communicatie- en samenwerkingsproblemen tussen ouders;
  • [minderjarige] krijgt de kans om op een positieve en onbelaste manier contact te hebben en een band te onderhouden met beide ouders;
  • [minderjarige] heeft ruimte om toe te komen aan haar eigen identiteitsontwikkeling;
  • [minderjarige] krijgt erkenning en de juiste ondersteuning voor de uitdagingen in haar sociale- emotionele en cognitieve ontwikkeling;
  • Ouders werken mee aan hulpverlening voor zichzelf en maken, met hulpverlening, afspraken over het contact tussen [minderjarige] en vader en hun wijze van samenwerking/ communicatie.
5.6.
Hoewel de kinderrechter het wenselijk vindt dat de zaak spoedig wordt opgepakt en de William Schrikker Stichting naar het laat zien direct kan starten, ziet de kinderrechter aanleiding om de GI te belasten met de uitvoering van de ondertoezichtstelling gelet op de weerstand van de moeder tegen de William Schrikker Stichting.
5.7.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. [1]
5.8.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Brabant met ingang van 18 november 2025 tot 18 november 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 18 november 2025 door mr. Sumner, kinderrechter, in aanwezigheid van Van Diepen als griffier, en op schrift gesteld op 4 december 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 2 Besluit Pro gezagsregisters.