Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2025:8791

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
11 december 2025
Publicatiedatum
11 december 2025
Zaaknummer
24/6234
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:36c AwbArt. 8 Verordening parkeerbelastingen 2024Art. 5 Verordening parkeerbelastingen 2024Art. 7 Verordening parkeerbelastingen 2024
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen naheffingsaanslag parkeerbelasting in Breda

Belanghebbende is geconfronteerd met een naheffingsaanslag parkeerbelasting van €62,80 omdat tijdens een controle op 23 mei 2024 werd vastgesteld dat geen parkeerbelasting was voldaan voor het parkeren aan de Haagdijk te Breda.

Belanghebbende voerde verweer met een bankafschrift waaruit een betaling van €0,10 blijkt, twee minuten na de constatering. De rechtbank oordeelt echter dat dit bedrag te laag is voor het parkeren in het centrum van Breda en dat uit het bankafschrift niet kan worden afgeleid dat de betaling betrekking had op het parkeren van het betreffende voertuig op de locatie.

De rechtbank stelt vast dat parkeerbelasting direct bij aanvang van het parkeren verschuldigd is en dat een redelijke termijn voor het voldoen van de belasting moet worden gegund. Desondanks is het bewijs onvoldoende om de naheffingsaanslag te verwerpen.

Daarom verklaart de rechtbank het beroep ongegrond en handhaaft zij de naheffingsaanslag. Belanghebbende krijgt geen vergoeding van griffierecht omdat het beroep ongegrond is verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting wordt ongegrond verklaard en de aanslag blijft gehandhaafd.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/6234

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 december 2025 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Breda, de heffingsambtenaar.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 15 juli 2024.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting met [aanslagnummer] opgelegd.
1.2.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 5 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft niemand deelgenomen. De heffingsambtenaar heeft zich bij brief van 3 november 2025 afgemeld voor de zitting. Belanghebbende is, zonder kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen.
1.4.
Belanghebbende is via het systeem Mijn Rechtspraak op 19 september 2025, 09:22 uur, onder vermelding van plaats, datum en tijdstip uitgenodigd de zitting bij te wonen. Van de plaatsing van dit bericht is op dezelfde datum een notificatie aan belanghebbende verzonden naar het door belanghebbende voor dit doel opgegeven
e-mailadres. Daarom neemt de rechtbank aan dat belanghebbende dit bericht op 19 september 2025 heeft ontvangen. [1] De rechtbank stelt daarmee vast dat belanghebbende correct en op de juiste wijze voor de zitting is uitgenodigd.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de heffingsambtenaar terecht aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting heeft opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die belanghebbende heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
2.1.
Naar het oordeel van de rechtbank slaagt het beroep van belanghebbende niet en is de naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

3. De auto met [kenteken] stond op 23 mei 2024 omstreeks 20:49 uur stil aan de Haagdijk te Breda . Op deze locatie mag alleen tegen betaling van parkeerbelasting worden geparkeerd.
3.1.
Tijdens een controle op voornoemde datum en tijd is door parkeercontroleurs geconstateerd dat geen parkeerbelasting was voldaan.
3.2.
Naar aanleiding van de constatering dat geen parkeerbelasting was voldaan, is aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd van € 62,80 bestaande uit een bedrag aan belasting van € 1,15 en € 61,65 aan kosten van de naheffingsaanslag.
3.3.
Belanghebbende heeft een bankafschrift overgelegd, waarop staat dat € 0,10 is betaald aan “TMC*P- BREDA -201587, PAS211” op 23 mei 2024 om 20:51 uur.

Overwegingen

Is de naheffingsaanslag terecht opgelegd?
4. De Haagdijk te Breda is door het college van burgemeester en wethouders aangewezen als plaats waar tegen betaling van parkeerbelasting mag worden geparkeerd. [2]
4.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat de auto van belanghebbende op
23 mei 2024 geparkeerd stond aan de Haagdijk te Breda .
4.2.
Belanghebbende voert aan dat zij wel parkeerbelasting heeft voldaan. Ter onderbouwing heeft zij een bankafschrift overgelegd (zie 3.3).
4.3.
De rechtbank overweegt dat parkeerbelasting direct bij aanvang van het parkeren verschuldigd is, dus direct nadat de auto wordt geparkeerd. Uit de Verordening volgt dat de parkeerbelasting kan worden voldaan door betaling bij een parkeerautomaat of met een mobiel communicatiemiddel. [3] Uit vaste rechtspraak volgt echter ook dat een parkeerder een redelijke termijn moet worden gegund voor het verrichten van uitvoeringshandelingen tot het voldoen van de parkeerbelasting. Die uitvoeringshandelingen, waaronder het eventuele lopen naar een parkeerautomaat, het wachten in de rij voor een parkeerautomaat of het aanmelden met een parkeerapp, moeten onverwijld nadat de auto is geparkeerd worden gestart en voortgezet.
4.4.
De rechtbank stelt vast dat uit het bankafschrift volgt dat op 23 mei 2024 om 20:51 uur een bedrag van € 0,10 is afgeschreven door TMCPBREDA. Gelet op het feit dat er slechts twee minuten zitten tussen het tijdstip van de constatering om 20:49 uur en de betreffende betaling om 20:51 uur, zou kunnen worden aangenomen dat belanghebbende (mogelijk) binnen de termijn die haar daarvoor redelijkerwijs moet worden gegund parkeerbelasting heeft betaald. De rechtbank constateert echter dat het op het bankafschrift vermelde bedrag van € 0,10 opmerkelijk laag is voor parkeren in het centrum van Breda . Bovendien kan op basis van (enkel) het bankschrift niet worden vastgesteld dat deze transactie betrekking heeft op het parkeren van de auto met [kenteken] aan de Haagdijk te Breda . Uit (de omschrijving op) het bankafschrift is namelijk niet af te leiden voor welk kenteken en welke locatie het vermelde bedrag is afschreven. Zonder nadere toelichting van belanghebbende ziet de rechtbank in het bankafschrift dan ook onvoldoende bewijs dat de verschuldigde parkeerbelasting is voldaan. Dit betekent dat de naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht aan belanghebbende is opgelegd.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht is opgelegd en gehandhaafd blijft.
5.1.
Omdat het beroep ongegrond is, krijgt belanghebbende haar griffierecht niet vergoed.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Ponds, rechter, in aanwezigheid van
mr. D. Damen, griffier, op 11 december 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Gelet op artikel 8:36c, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Artikel 8 van Pro de Verordening op de heffing en invordering van parkeerbelastingen 2024 (de Verordening) gelezen in samenhang met het Aanwijzingsbesluit parkeerbelastingen 2024.
3.Artikelen 5 en 7 van de Verordening.