ECLI:NL:RBZWB:2025:8791
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen naheffingsaanslag parkeerbelasting in Breda
Belanghebbende is geconfronteerd met een naheffingsaanslag parkeerbelasting van €62,80 omdat tijdens een controle op 23 mei 2024 werd vastgesteld dat geen parkeerbelasting was voldaan voor het parkeren aan de Haagdijk te Breda.
Belanghebbende voerde verweer met een bankafschrift waaruit een betaling van €0,10 blijkt, twee minuten na de constatering. De rechtbank oordeelt echter dat dit bedrag te laag is voor het parkeren in het centrum van Breda en dat uit het bankafschrift niet kan worden afgeleid dat de betaling betrekking had op het parkeren van het betreffende voertuig op de locatie.
De rechtbank stelt vast dat parkeerbelasting direct bij aanvang van het parkeren verschuldigd is en dat een redelijke termijn voor het voldoen van de belasting moet worden gegund. Desondanks is het bewijs onvoldoende om de naheffingsaanslag te verwerpen.
Daarom verklaart de rechtbank het beroep ongegrond en handhaaft zij de naheffingsaanslag. Belanghebbende krijgt geen vergoeding van griffierecht omdat het beroep ongegrond is verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting wordt ongegrond verklaard en de aanslag blijft gehandhaafd.