ECLI:NL:RBZWB:2025:8780
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond: woning niet als eigen woning voor belastingaftrek wegens permanent verblijf buitenland
Belanghebbende, een Amerikaanse staatsburger, was van november 2019 tot juni 2022 inwoner van Nederland en eigenaar van een woning in Nederland sinds juni 2020. Vanaf juni 2022 woont zij permanent in Zweden in een huurwoning met een contract voor onbepaalde tijd. De woning in Nederland is in 2023 niet aan derden verhuurd en er is geen andere eigen woning.
De inspecteur legde een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen op voor 2023 en verklaarde het bezwaar van belanghebbende ongegrond. Belanghebbende stelde beroep in tegen deze beslissing. De rechtbank behandelde het beroep op zitting, waarbij belanghebbende en haar gemachtigde niet aanwezig waren.
De kernvraag was of de woning in Nederland als eigen woning in de zin van artikel 3.111, zesde lid, Wet IB 2001 kwalificeert, zodat aftrekposten voor de eigen woning van toepassing zijn. De rechtbank oordeelde dat het verblijf in Zweden een permanent karakter heeft, mede gelet op het onbepaalde contract en de langdurige huurwoning, en dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het verblijf tijdelijk is.
Daarom kwalificeert de woning niet als eigen woning voor de aftrekposten. Het beroep wordt ongegrond verklaard, het griffierecht wordt niet teruggegeven en er is geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat de woning niet als eigen woning kwalificeert wegens permanent verblijf in het buitenland.