ECLI:NL:RBZWB:2025:8775
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen proceskostenvergoeding en immateriële schadevergoeding navorderingsaanslag IB/PVV 2017
Belanghebbende maakte bezwaar tegen een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over 2017, die door de inspecteur was opgelegd en later vernietigd. De procedure richtte zich op de hoogte van de integrale proceskostenvergoeding en de vraag of belanghebbende recht had op een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De inspecteur kende een proceskostenvergoeding van €9.000 toe, gebaseerd op 26,5 uren, terwijl belanghebbende meer uren had opgevoerd. De rechtbank oordeelde dat de inspecteur met dit bedrag aan zijn toezegging voldeed en dat de extra uren uit 2020 niet relevant waren voor de bezwaarfase. De proceskostenvergoeding werd daarom niet verlaagd.
Belanghebbende vorderde daarnaast een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank stelde vast dat de redelijke termijn was overschreden, maar dat het financieel belang van de procedure beperkt was tot de nevenbeslissing over proceskostenvergoeding. Hierdoor was geen recht op immateriële schadevergoeding.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, handhaafde de proceskostenvergoeding, en veroordeelde de inspecteur tot vergoeding van het griffierecht en een deel van de proceskosten. De uitspraak is onherroepelijk tenzij binnen zes weken hoger beroep wordt ingesteld.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, de proceskostenvergoeding wordt gehandhaafd en een immateriële schadevergoeding wordt afgewezen.