ECLI:NL:RBZWB:2025:8772
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling proceskostenvergoeding en immateriële schade bij navorderingsaanslag IB/PVV 2017
Belanghebbende maakte bezwaar tegen een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over 2017, die door de inspecteur was opgelegd en later vernietigd. De procedure spitste zich toe op de hoogte van de integrale proceskostenvergoeding en de vraag of belanghebbende recht had op een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De inspecteur had een integrale proceskostenvergoeding van €9.000 toegekend, gebaseerd op 26,5 uren, waarbij 20,5 uren uit 2020 niet werden geaccepteerd. De rechtbank oordeelde dat de inspecteur hiermee aan zijn toezegging had voldaan en dat de proceskostenvergoeding niet te laag was vastgesteld. De rechtbank wees het verzoek om een immateriële schadevergoeding af, omdat het financieel belang bij deze nevenbeslissing beperkt was en de overschrijding van de redelijke termijn geen substantiële spanning of frustratie veroorzaakte.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond vanwege de uitspraak op bezwaar over de dwangsom en veroordeelde de inspecteur tot vergoeding van het griffierecht en een proceskostenvergoeding van €226,75 aan belanghebbende. De uitspraak is onherroepelijk na het verstrijken van de termijn voor hoger beroep.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, de proceskostenvergoeding van €9.000 blijft gehandhaafd en belanghebbende ontvangt een proceskostenvergoeding van €226,75; een immateriële schadevergoeding wordt afgewezen.