ECLI:NL:RBZWB:2025:8772

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
10 december 2025
Publicatiedatum
10 december 2025
Zaaknummer
BRE 24/7809
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen navorderingsaanslag IB/PVV en proceskostenvergoeding

In deze uitspraak beoordeelt de Rechtbank Zeeland-West-Brabant het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 4 oktober 2024. De inspecteur had aan belanghebbende over het jaar 2017 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd, met een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 16.392 en uit sparen en beleggen van € 3.551. Tevens werd er belastingrente van € 68 en een vergrijpboete van € 396 opgelegd. Het bezwaar van belanghebbende werd gegrond verklaard, en de navorderingsaanslag werd vernietigd. De rechtbank heeft het beroep op 29 oktober 2025 behandeld, waarbij belanghebbende, haar partner en de gemachtigde aanwezig waren, evenals twee inspecteurs van de Belastingdienst.

De rechtbank oordeelt dat enkel de uitspraak op bezwaar over de proceskostenvergoeding in geschil is. De rechtbank beoordeelt of de integrale proceskostenvergoeding naar de juiste hoogte is vastgesteld en of belanghebbende recht heeft op een immateriëleschadevergoeding. De rechtbank concludeert dat de proceskostenvergoeding van € 9.000 niet te laag is vastgesteld en dat belanghebbende geen recht heeft op een immateriëleschadevergoeding. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn is overschreden, maar dat dit niet leidt tot een schadevergoeding, gezien het beperkte belang van de procedure.

De rechtbank verklaart het beroep gegrond, laat de uitspraak op bezwaar ten aanzien van de proceskostenvergoeding in stand, en bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 51 aan belanghebbende moet vergoeden, evenals een proceskostenvergoeding van € 226,75. De uitspraak is openbaar gemaakt en kan in hoger beroep worden aangevochten.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/7809

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 december 2025 in de zaak tussen

[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende,

(gemachtigde: mr. S.B.M.A. Engelen),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 4 oktober 2024.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende over het jaar 2017 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 16.392 en naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 3.551.
1.2.
Gelijktijdig met de vaststelling van de navorderingsaanslag heeft de inspecteur belanghebbende € 68 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking) en belanghebbende een vergrijpboete van € 396 opgelegd (de boetebeschikking).
1.3.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de navorderingsaanslag vernietigd.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 29 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende, haar partner en de gemachtigde van belanghebbende. Namens de inspecteur hebben mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] deelgenomen.
1.5.
Van hetgeen op de zitting is besproken, is een proces-verbaal opgemaakt waarvan de rechtbank gelijktijdig met deze uitspraak een afschrift naar partijen heeft verzonden.

Beoordeling door de rechtbank

2. Enkel de uitspraak op bezwaar over de proceskostenvergoeding is in geschil. De rechtbank beoordeelt of de integrale proceskostenvergoeding naar de juiste hoogte is vastgesteld en of belanghebbende recht heeft op een immateriëleschadevergoeding. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. Niet meer in geschil is de verbeurde dwangsom.
3. Naar het oordeel van de rechtbank is de proceskostenvergoeding niet te laag vastgesteld. Belanghebbende heeft geen recht op een immateriëleschadevergoeding. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

4. De inspecteur heeft naar aanleiding van een onderzoek een navorderingsaanslag IB/PVV 2017 opgelegd aan belanghebbende met dagtekening 27 november 2021 ten bedrage van € 1.678 aan belasting, een vergrijpboete van € 396 en € 68 aan belastingrente. Met dagtekening 4 oktober 2024 heeft de inspecteur de navorderingsaanslag IB/PVV 2017, de bijbehorende vergrijpboete en de belastingrentebeschikking, vernietigd.
4.1.
Bij beslissing van 2 december 2024 heeft de inspecteur een integrale kostenvergoeding vastgesteld van € 9.000. Deze vergoeding is gelijkelijk verdeeld over belanghebbende en partner. De vergoeding is naar boven afgerond en gebaseerd op het urenoverzicht van de gemachtigde van belanghebbende welke optelt tot 26,50 (bijlage 19 bij het verweerschrift).
4.2.
Tot het dossier behoort voorts een urenoverzicht van de gemachtigde van belanghebbende welke optelt tot 57,10 uren. Een regel in het urenoverzicht betreft een transportregel van 20,50 uren waarbij staat: “uren t/m 31-12-2020 conform bijgaande urenspecificatie”.
4.3.
Bij beslissing van 19 februari 2025 heeft de inspecteur de maximale dwangsom toegekend van € 1.442. Hierover wordt de wettelijke rente van € 125 vergoed.

Motivering

Is de integrale proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase juist vastgesteld?
5. De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 2 december 2024 een proceskostenvergoeding vastgesteld van € 9.000. De inspecteur heeft aanleiding gezien om een integrale proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase toe te kennen. Daarbij heeft de inspecteur 26,5 uren vergoed in plaats van de door belanghebbende gesteld gemaakte uren. De inspecteur heeft 20,5 uren uit 2021 niet geaccepteerd in het kader van de integrale proceskostenvergoeding. Ter zitting heeft de inspecteur aangegeven terug te willen komen van het standpunt dat de proceskostenvergoeding integraal moet zijn, de inspecteur heeft niet tegen beter weten in gehandeld en de proceskostenvergoeding was te ruim.
De rechtbank begrijpt het standpunt van belanghebbende zo, dat de inspecteur niet voldaan heeft aan zijn toezegging om de integrale proceskosten voor de bezwaarfase te vergoeden.
5.1.
De rechtbank stelt gelet op het standpunt van de inspecteur voorop dat de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase niet lager vast kan worden gesteld door de rechtbank dan het bedrag waarop de inspecteur de vergoeding heeft vastgesteld, gezien het verbod van reformatio in peius. Belanghebbende mag niet in een slechtere positie komen als gevolg van deze beroepsprocedure.
5.2.
Naar het oordeel van de rechtbank valt zonder nadere onderbouwing van belanghebbende niet goed in te zien hoe de 20,5 uren – transport van oudere uren uit 2020 (zie 4.2) - samen zouden hangen met de bezwaarfase van de aanslag opgelegd in november 2021. Bij deze stand van zaken oordeelt de rechtbank dat met de toegekende € 9.000 de inspecteur voldaan heeft aan zijn toezegging om de integrale proceskosten voor de bezwaarfase te vergoeden en de uitspraak op bezwaar over de proceskostenvergoeding dus niet onjuist was.
Heeft belanghebbende recht op een immateriëleschadevergoeding?
6. Belanghebbende stelt dat recht bestaat op een immateriëleschadevergoeding vanwege het overschrijden van de redelijke termijn. De inspecteur stelt dat de immateriëleschadevergoeding voor belanghebbende en partner samen zou moeten zijn.
6.1.
De inspecteur heeft het bezwaarschrift ontvangen op 7 januari 2022. De uitspraak op bezwaar is van 4 oktober 2024. De redelijke termijn bedraagt twee jaar en eindigt dus op 7 januari 2024. De rechtbank doet uitspraak op 10 december 2025.
6.2.
Dit betreft een procedure die enkel gaat over de nevenbeslissing of de juiste proceskostenvergoeding is toegekend in de bezwaarfase. De belasting-, boete-, en belastingrentebeschikking zijn vernietigd door de inspecteur op 4 oktober 2024 bij uitspraak op bezwaar. Het belang bij deze rechtelijke procedure is dus enkel beperkt tot de nevenbeslissing over de proceskosten. Immers, de vernietigde navorderingsaanslag, boete en rentebeschikking maken geen onderdeel uit van deze procedure.
6.3.
Het financieel belang bij het voortzetten van de procedure in beroep is dus afwezig in de zin van het arrest van de Hoge Raad van 14 juni 2024. [1] Bij de vaststelling van het financieel belang wordt namelijk geen rekening gehouden met het belang dat gesteld gemoeid is met nevenbeslissingen van bestuursorganen met betrekking tot zo’n procedure. Deze rechtszaak gaat zoals hiervoor opgemerkt uitsluitend over een nevenbeslissing. De rechtbank verondersteld dan ook dat de lange duur van de procedure over de proceskostenvergoeding hooguit nauwelijks heeft geleid tot spanning en frustratie bij belanghebbende. De redelijke termijn is overschreden. De rechtbank ziet aanleiding gelet op voorgaande om te volstaan met een vaststelling dat de redelijke termijn is overschreden.
6.4.
De rechtbank merkt daarbij op dat dit niet een zaak is waarvoor het overgangsrecht gecreëerd in het arrest van 14 juni 2024 zoals hiervoor genoemd relevant is. Ook onder oud recht zou deze zaak naar het oordeel van de rechtbank niet kwalificeren als een belastinggeschil met een financieel belang van meer dan 15 euro, nu er geen belastinggeschil is en het gestelde financieel belang enkel zit in een nevenbeslissing.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is gegrond omdat de inspecteur na het instellen van het beroep door belanghebbende uitspraak op bezwaar heeft gedaan met betrekking tot de dwangsom. Er bestaat verder geen geschil over de dwangsom.
7.1.
Omdat het beroep gegrond is moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van haar proceskosten. De inspecteur moet deze vergoeding betalen. Het gewicht van de zaak acht de rechtbank zeer licht omdat het alleen gaat over een proceskostenvergoeding die wel of niet juist is vastgesteld. Deze vergoeding bedraagt dan (€ 1.814* 0,25 =) € 453,50 omdat de gemachtigde van belanghebbende een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Gelet op de samenhang tussen deze procedure en de procedure van de partner van belanghebbende ziet de rechtbank aanleiding de vergoeding gelijkelijk te verdelen over beide procedures en aldus de inspecteur in deze procedure te veroordelen tot betaling van € 226,75 aan proceskosten. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- laat de uitspraak op bezwaar ten aanzien van de proceskostenvergoeding in stand;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 51 aan belanghebbende moet vergoeden;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 226,75 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. de Vos, griffier.
griffier
rechter
De griffier is verhinderd om deze uitspraak te ondertekenen. De uitspraak is daarom alleen ondertekend door de rechter.
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Aan deze uitspraak hoeft pas uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist. [2]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.3.1.
2.Artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR.