ECLI:NL:RBZWB:2025:8772
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen navorderingsaanslag IB/PVV en proceskostenvergoeding
In deze uitspraak beoordeelt de Rechtbank Zeeland-West-Brabant het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 4 oktober 2024. De inspecteur had aan belanghebbende over het jaar 2017 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd, met een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 16.392 en uit sparen en beleggen van € 3.551. Tevens werd er belastingrente van € 68 en een vergrijpboete van € 396 opgelegd. Het bezwaar van belanghebbende werd gegrond verklaard, en de navorderingsaanslag werd vernietigd. De rechtbank heeft het beroep op 29 oktober 2025 behandeld, waarbij belanghebbende, haar partner en de gemachtigde aanwezig waren, evenals twee inspecteurs van de Belastingdienst.
De rechtbank oordeelt dat enkel de uitspraak op bezwaar over de proceskostenvergoeding in geschil is. De rechtbank beoordeelt of de integrale proceskostenvergoeding naar de juiste hoogte is vastgesteld en of belanghebbende recht heeft op een immateriëleschadevergoeding. De rechtbank concludeert dat de proceskostenvergoeding van € 9.000 niet te laag is vastgesteld en dat belanghebbende geen recht heeft op een immateriëleschadevergoeding. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn is overschreden, maar dat dit niet leidt tot een schadevergoeding, gezien het beperkte belang van de procedure.
De rechtbank verklaart het beroep gegrond, laat de uitspraak op bezwaar ten aanzien van de proceskostenvergoeding in stand, en bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 51 aan belanghebbende moet vergoeden, evenals een proceskostenvergoeding van € 226,75. De uitspraak is openbaar gemaakt en kan in hoger beroep worden aangevochten.