ECLI:NL:RBZWB:2025:8768

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
8 december 2025
Publicatiedatum
10 december 2025
Zaaknummer
24/7778
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van de ontvankelijkheid van bezwaar en verzoek om ambtshalve vermindering van belastingaanslag

In deze uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant, gedateerd 8 december 2025, wordt het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van de Belastingdienst beoordeeld. De inspecteur had aan belanghebbende voor het jaar 2017 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd, inclusief een verzuimboete van € 369. Het bezwaar van belanghebbende werd door de inspecteur niet-ontvankelijk verklaard en als een verzoek om ambtshalve vermindering opgevat, wat ook werd afgewezen. De rechtbank heeft het beroep op 31 oktober 2025 behandeld, waarbij belanghebbende en twee vertegenwoordigers van de inspecteur aanwezig waren.

De rechtbank oordeelt dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard, omdat het bezwaarschrift te laat was ingediend. Belanghebbende, die in Duitsland woont, had geen aangifte gedaan en de inspecteur had de brieven naar een onjuist adres gestuurd. De rechtbank stelt vast dat de onjuiste adressering voor risico van belanghebbende komt, omdat hij geen adreswijziging had doorgegeven. Hierdoor is er geen sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding.

Daarnaast wordt het verzoek om ambtshalve vermindering beoordeeld. De rechtbank concludeert dat dit verzoek ook te laat is ingediend, aangezien de vijfjaarstermijn voor het indienen van een verzoek om ambtshalve vermindering op 31 december 2022 eindigde. De rechtbank oordeelt dat de inspecteur het verzoek terecht heeft afgewezen. De uitspraak eindigt met de conclusie dat het beroep ongegrond is, het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard, en dat de boetebeschikking in stand blijft. Belanghebbende krijgt geen griffierecht terug en geen vergoeding van proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/7778
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 8 december 2025 in de zaak tussen

[belanghebbende] , domicilie kiezende te [plaats] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 31 oktober 2024.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2017 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd. Hierbij is een verzuimboete opgelegd van € 369 (de boetebeschikking).
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard en als een verzoek om ambtshalve vermindering opgevat. Het verzoek om ambtshalve vermindering is afgewezen.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 31 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende en namens de inspecteur mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] .

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Ook beoordeelt de rechtbank of de inspecteur het verzoek om ambtshalve vermindering terecht heeft afgewezen. Zij doet dat aan de hand van de argumenten van belanghebbende, de beroepsgronden.
3. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard en het verzoek om ambtshalve vermindering terecht heeft afgewezen
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

4. Belanghebbende woont in Duitsland en heeft de Nederlandse nationaliteit.
4.1.
Belanghebbende woonde aan [adres] te Duitsland van 23 oktober 2013 tot 29 september 2022.
4.2.
Belanghebbende is per brief van 28 februari 2018 uitgenodigd tot het doen van aangifte IB/PVV 2017. Vervolgens is per brief van 27 juli 2018 aan belanghebbende een herinnering gestuurd tot het doen van aangifte. Met dagtekening 6 november 2018 is aan belanghebbende een aanmaning tot het doen van de aangifte gestuurd. Deze brieven zijn door de inspecteur verstuurd naar het adres: [adres] , Bondsrepubliek Duitsland.
4.3.
Belanghebbende heeft geen aangifte IB/PVV 2017 ingediend.
4.4.
De inspecteur heeft met dagtekening 7 augustus 2019 een ambtshalve aanslag IB/PVV 2017 opgelegd aan belanghebbende. Hierbij is een boetebeschikking opgelegd wegens het niet (tijdig) doen van de aangifte IB/PVV 2017. Deze aanslag is tevens verstuurd naar het onder 4.1. genoemde adres.
4.5.
Op 11 juli 2024 heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de aanslag IB/PVV 2017 en de boetebeschikking.
4.6.
De inspecteur heeft het bezwaar op 31 oktober 2024 niet-ontvankelijk verklaard en het bezwaar behandeld als een verzoek om ambtshalve vermindering. Dit verzoek heeft de inspecteur afgewezen.

Motivering

Ontvankelijkheid bezwaar
5. Voor het indienen van een bezwaarschrift geldt een termijn van zes weken. [1] Deze termijn begint op de dag na de dagtekening van het aanslagbiljet of van de voor bezwaar vatbare beschikking. Maar als de dagtekening een datum is vóór de datum waarop dat aanslagbiljet of die beschikking is verzonden, begint deze termijn op de dag na de dag van verzending. Een bezwaarschrift is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen. [2]
5.1.
Als iemand een bezwaarschrift te laat indient, kan het bestuursorgaan het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren. Dat is anders als het niet tijdig indienen van het bezwaarschrift verschoonbaar is. Dan laat het bestuursorgaan niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege. [3]
5.2.
Het bezwaarschrift tegen de aanslag IB/PVV 2017 met dagtekening 7 augustus 2019 is op 11 juli 2024 ingediend waardoor deze te laat is ingediend en in beginsel niet-ontvankelijk verklaard dient te worden.
5.3.
Belanghebbende stelt dat het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Volgens belanghebbende is sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding, omdat de inspecteur de brieven naar een onjuist adres heeft gestuurd. Daarnaast voert belanghebbende aan dat de Belastingdienst het juiste adres eenvoudig uit andere bronnen had kunnen achterhalen. De inspecteur betwist dit.
5.4.
De rechtbank is van oordeel dat de onjuiste adressering voor risico van belanghebbende dient te komen en overweegt daartoe als volgt. Vast staat dat belanghebbende geen adreswijziging van zijn verhuizing binnen Duitsland aan de Belastingdienst heeft doorgegeven. In het onderhavige geval rust op de inspecteur geen wettelijke verplichting te onderzoeken wat het juiste adres van belanghebbende is bij het verzenden van de in 4.2. en 4.4. vermelde brieven. Belanghebbende heeft de adreswijziging niet aan de inspecteur overgebracht. Daarom is geen sprake van een verschoonbaar termijnoverschrijding en is het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard.
Verzoek ambtshalve vermindering
5.5.
Tegen een beslissing op een verzoek om ambtshalve vermindering, zoals de beslissing in de brief van 31 oktober 2024, moet in beginsel eerst bezwaar worden gemaakt. Dat heeft belanghebbende niet gedaan, maar dat is voor het verloop van deze procedure niet erg. Partijen hebben er namelijk mee ingestemd dat de bezwaarfase kan worden overgeslagen. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak daarom of de inspecteur het verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag IB/PVV 2017 terecht heeft afgewezen.
5.6.
Een verzoek om ambtshalve vermindering van een belastingaanslag moet worden gedaan binnen vijf jaar na het einde van het kalenderjaar waarop de belastingaanslag betrekking heeft (de vijfjaarstermijn). [4] Het bezwaarschrift van 11 juli 2024 is aangemerkt als een verzoek om ambtshalve vermindering.
5.7.
De vijfjaarstermijn eindigde voor het jaar 2017 op 31 december 2022. Het verzoek van 11 juli 2024 is dus te laat ingediend.
5.8.
Gelet op het voorgaande, heeft dan als uitgangspunt te gelden dat de inspecteur het verzoek terecht heeft afgewezen. Dat is slechts anders indien de overschrijding van de vijfjaarstermijn ‘verschoonbaar’ is. [5]
5.9.
Belanghebbende stelt dat er voor het verzoek om ambtshalve vermindering ook sprake is van een verschoonbaar termijn vanwege de onder 5.3. genoemde redenen.
5.10.
Ook voor het verzoek om ambtshalve verminderingen geldt dat de feiten en omstandigheden zoals naar voren gebracht door belanghebbende niet leiden tot de conclusie de termijnoverschrijding verschoonbaar is.
5.11.
Het voorgaande betekent dat de inspecteur het verzoek om ambtshalve vermindering terecht heeft afgewezen en de rechtbank niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek.
5.12.
Daarbij merkt de rechtbank op dat het enkele gegeven dat de rechtbank ten aanzien van een eerder jaar is overgegaan tot vermindering van de verzuimboete tot € 100 evenmin maakt dat de boete over het jaar 2017 eveneens verminderd dient te worden tot € 100.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bezwaar van belanghebbende terecht niet-ontvankelijk is verklaard, de boetebeschikking in stand blijft en het verzoek om ambtshalve vermindering terecht is afgewezen. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H. Bogert, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Panah, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Artikel 6:7 Algemene wet Bestuursrecht (Awb).
2.Artikel 6:9, eerste lid, Awb.
3.Artikel 6:11 Awb.
4.Artikel 45aa van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001.
5.Artikel 60 Algemene wet inzake rijksbelastingen in samenhang met artikel 6:11 van de Awb.