ECLI:NL:RBZWB:2025:8727

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
26 november 2025
Publicatiedatum
9 december 2025
Zaaknummer
11506949 \ CV EXPL 25-366
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • M. Mulders
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aansprakelijkheid opdrachtgever voor schade door val van werknemer tijdens werkzaamheden

In deze zaak vordert eiser, een werknemer, een verklaring voor recht dat gedaagde, zijn opdrachtgever, aansprakelijk is voor de schade die hij heeft geleden na een val van een ladder tijdens zijn werkzaamheden. De val vond plaats op 16 mei 2024, terwijl eiser aan het werk was voor gedaagde, die schilder- en onderhoudswerkzaamheden uitvoerde aan een pand. Eiser stelt dat gedaagde haar zorgplicht heeft geschonden door hem niet te informeren over het gebruik van een hoogwerker en geen antislipmat ter beschikking te stellen. Gedaagde betwist de aansprakelijkheid en stelt dat zij alle redelijke maatregelen heeft genomen om de veiligheid te waarborgen.

De kantonrechter oordeelt dat gedaagde niet voldoende maatregelen heeft getroffen om de veiligheid van eiser te waarborgen. Gedaagde had moeten anticiperen op de situatie waarin eiser de ladder moest gebruiken, vooral gezien de aanwezigheid van een schuine houten plank. De rechter concludeert dat gedaagde niet de noodzakelijke instructies heeft gegeven en dat zij aansprakelijk is voor de schade die eiser heeft geleden. Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten en wettelijke rente.

Het vonnis is uitgesproken op 26 november 2025 door kantonrechter M. Mulders.

Uitspraak

RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Bergen op Zoom
Zaaknummer: 11506949 \ CV EXPL 25-366
Vonnis van 26 november 2025
in de zaak van
[eiser],
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. M. Yavuzyigitoglu,
tegen
[gedaagde] B.V.,
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. A.A.M. Zeeman.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 23 april 2025 met de daarin genoemde stukken;
- de mondelinge behandeling van 23 oktober 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Van 15 januari 2018 tot 24 mei 2024 is [eiser] door zijn werkgever [werkgever] B.V. uitgeleend aan [gedaagde] .
2.2.
[gedaagde] heeft van [bedrijf ] B.V. opdracht gekregen om schilder- en onderhoudswerkzaamheden uit te voeren aan een pand in [plaats] . [eiser] is één van de medewerkers die [gedaagde] op dit project heeft ingezet.
2.3.
Op 16 mei 2024 is [eiser] tijdens de uitvoering van zijn werkzaamheden ten val gekomen met een ladder. Daarbij heeft hij een breuk opgelopen in zijn onderrug. Als gevolg hiervan is [eiser] tot op heden arbeidsongeschikt.
3. Het geschil
3.1.
[eiser] vordert – samengevat – een verklaring voor recht dat [gedaagde] aansprakelijk is jegens [eiser] voor de ten gevolge van het (bedrijfs)ongeval van 16 mei 2024 geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten (inclusief nakosten), te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.2.
[eiser] legt aan de vordering ten grondslag dat [gedaagde] haar zorgplicht als opdrachtgever heeft geschonden, doordat zij [eiser] niet heeft geïnformeerd dat hij voor zijn werkzaamheden de hoogwerker mocht en moest gebruiken. [gedaagde] heeft ook geen antislipmat aan [eiser] ter beschikking gesteld die hij onder de ladder had kunnen plaatsen om te voorkomen dat deze weg zou glijden. Evenmin heeft [gedaagde] [eiser] geïnstrueerd om de ladder niet op de schuine, houten plank te plaatsen. [eiser] kon de houten plank niet in zijn eentje verschuiven, want daar was deze te zwaar voor. [gedaagde] is daarom aansprakelijk voor de schade die [eiser] als gevolg van zijn val van de ladder heeft geleden en nog zal lijden.
3.3.
[gedaagde] voert verweer tegen de vordering. Zij voert daartoe – in het kort – aan dat zij alle maatregelen heeft genomen die redelijkerwijs van haar verlangd konden worden. Met enige regelmaat laat zij een risico-inventarisatie- en evaluatie uitvoeren, waarbij knelpunten op het gebied van veiligheid in kaart worden gebracht. Verder worden de arbeidsplaatsen regelmatig gecontroleerd. Medewerkers ontvangen meerdere keren per jaar veiligheidsinstructies via toolbox-meetings. Enkele weken voorafgaand aan het ongeval heeft [eiser] ook de nodige informatie ontvangen met betrekking tot de uit te voeren werkzaamheden aan het pand. Daarbij is ook de inhoud van het Veiligheids- en Gezondheidsgevarenplan (het VGM-plan) met hem besproken. Hoewel er voor de desbetreffende werkzaamheden een hoogwerker was voorzien, die op simpele wijze door [eiser] kon worden aangemeld bij de verhuurder, mochten deze werkzaamheden ook met behulp van een ladder worden uitgevoerd. [eiser] heeft de verstrekte veiligheidsinstructies echter niet opgevolgd door de ladder op een instabiele ondergrond te plaatsen. [gedaagde] is dus niet aansprakelijk voor de schade van [eiser] .

4.De beoordeling

Juridisch kader
4.1.
Tussen partijen staat niet ter discussie dat [eiser] schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden voor [gedaagde] . [gedaagde] is op grond van artikel 7:658 lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (BW) als opdrachtgever aansprakelijk voor die schade, tenzij zij aantoont dat zij haar zorgplicht zoals omschreven in het eerste lid van dat artikel is nagekomen. Die zorgplicht houdt in dat zij verplicht is de lokalen, werktuigen en gereedschappen waarin of waarmee zij de arbeid doet verrichten, op zodanige wijze in te richten en te onderhouden, alsmede voor het verrichten van de arbeid zodanige maatregelen te treffen en aanwijzingen te verstrekken als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat [eiser] in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt.
Getroffen maatregelen
4.2.
De werkzaamheden waarbij [eiser] ten val is gekomen (en waardoor hij dus schade heeft geleden), moesten in de buitenlucht en op hoogte worden uitgevoerd. Met het oog op de daaraan klevende veiligheidsrisico’s heeft [gedaagde] voor de werkzaamheden boven de ingang van het pand, waar geen vaste steiger stond, een hoogwerker voorzien. Op 16 mei 2024, de dag waarop het ongeval plaatsvond, heeft zij deze echter afgemeld vanwege de voorspelde regen. Anders dan [gedaagde] heeft aangevoerd, was het voor [eiser] kennelijk niet zo gemakkelijk om deze zelf weer aan te melden of alsnog in gebruik te nemen. In theorie was dat misschien wel mogelijk, maar [gedaagde] heeft onvoldoende gemotiveerd weersproken dat de hoogwerker in de praktijk altijd werd aan- en afgemeld door de projectleider van [gedaagde] (en dus niet door de medewerkers zelf). Deze projectleider was op de dag van het ongeval echter niet aanwezig op de bouwplaats. Verder staat als zijnde onweersproken vast dat de projectleider ook niet altijd telefonisch bereikbaar was voor zulk soort vragen.
4.3.
[gedaagde] heeft [eiser] niet nadrukkelijk geïnstrueerd om op regenachtige dagen uitsluitend binnen of vanaf de overdekte vaste steiger te werken. Ter zitting heeft [gedaagde] weliswaar aangevoerd dat er op regenachtige dagen in principe niet buiten wordt gewerkt, maar partijen zijn het erover eens dat [eiser] de desbetreffende voorbereidende werkzaamheden voor het schilderwerk wél in de regen kon uitvoeren en dat dit vaker gebeurde. Omdat dit niet vanaf de vaste steiger of de hoogwerker kon, was [eiser] daarvoor aangewezen op een ladder. Gezien de aard en de duur van de werkzaamheden was het gebruik van een ladder volgens de risico-inventarisatie- en evaluatierapportage van [gedaagde] overigens toegestaan.
4.4.
Bovendien wist [gedaagde] dat er voor de ingang van het pand een schuine, houten plank lag, waarmee rolstoelgebruikers toegang werd verschaft tot het pand. In het licht van haar keuze om de hoogwerker af te melden, had [gedaagde] er daarom op berekend moeten zijn dat [eiser] de voorbereidende werkzaamheden boven de ingang van het pand met behulp van een ladder zou gaan uitvoeren, waarbij hij met de houten plank in aanraking zou komen. [gedaagde] had daarop in moeten spelen, bijvoorbeeld door [eiser] te instrueren hoe hij de ladder veilig neer kon zetten. Dit heeft [gedaagde] echter niet gedaan (waarover later meer).
4.5.
Verder oordeelt de kantonrechter dat [gedaagde] meer fysiek toezicht had kunnen en moeten houden op de bouwplaats. Op de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] aangevoerd dat de werkzaamheden werden uitgevoerd onder supervisie van de hoofdaannemer, [bedrijf ] . In het kader van de zorgplicht die [gedaagde] als werkgever en opdrachtgever heeft, kan zij zich daar echter niet achter verschuilen. [gedaagde] moet zelf (ook) toezicht houden op de bouwplaats en haar medewerkers die daar aan het werk zijn. Daarover heeft zij ter zitting verklaard dat haar eigen projectleider tweemaal per week op de bouwplaats is komen kijken. Niet is gesteld of gebleken dat dit redelijkerwijs niet vaker kon.
Verstrekte aanwijzingen
4.6.
De aanwijzingen die [gedaagde] [eiser] voorafgaand aan het project over het uitvoeren van de werkzaamheden heeft verstrekt, waren niet specifiek gericht op het veilig werken op een ladder. De kantonrechter stelt aan de hand van de overgelegde verslagen van de toolbox-meetings vast dat daar de afgelopen tijd andere onderwerpen aan bod zijn gekomen dan het werken op een ladder. [gedaagde] heeft verder verwezen naar het veiligheidsplan dat zij in 2024 in fysieke vorm aan [eiser] heeft uitgereikt, maar zij heeft niet onderbouwd waar in dat plan uiteen wordt gezet hoe haar medewerkers op veilige wijze een ladder kunnen plaatsen. Voor aanvang van het project heeft [gedaagde] met [eiser] de specifieke veiligheidsrisico’s voor het project besproken, maar niet kan worden vastgesteld dat het veilig werken op een ladder daarbij aan bod is gekomen. Kort voor het ongeval is in opdracht van [gedaagde] verder een risico-inventarisatie- en evaluatierapportage opgesteld, met daarin de risico’s van het werken op een ladder en de in dat kader te nemen voorzorgsmaatregelen, maar voor zover de kantonrechter kan beoordelen heeft [gedaagde] die rapportage niet met [eiser] gedeeld. De kantonrechter is daarom van oordeel dat [gedaagde] [eiser] betere aanwijzingen had kunnen verstrekken met betrekking tot het veilig werken op een ladder.
Conclusie
4.7.
De hiervoor genoemde omstandigheden leiden tot het oordeel dat [gedaagde] niet de noodzakelijke maatregelen heeft getroffen en instructies heeft verstrekt die redelijkerwijs nodig waren om te voorkomen dat [eiser] in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade zou lijden. [gedaagde] is daarom aansprakelijk voor de schade die [eiser] als gevolg van het ongeval op 16 mei 2024 heeft geleden en nog zal lijden. De gevorderde verklaring voor recht zal worden afgegeven.
Proceskosten
4.8.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
147,42
- griffierecht
90,00
- salaris gemachtigde
542,00
(2 punten × € 271,00)
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
914,42
4.9.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De kantonrechter:
5.1.
verklaart voor recht dat [gedaagde] aansprakelijk is jegens [eiser] voor de ten gevolge van het (bedrijfs)ongeval van 16 mei 2024 geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade;
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 914,42, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
5.3.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Mulders en in het openbaar uitgesproken op 26 november 2025.