In deze zaak heeft de kantonrechter te Middelburg op 25 november 2025 uitspraak gedaan in een geschil tussen een werknemer en haar werkgever. De werknemer, werkzaam als hairstylist, heeft verzocht om vernietiging van haar ontslag op staande voet dat op 13 juni 2025 was gegeven. De werkgever, een eenmanszaak, had het ontslag gebaseerd op vermeende dringende redenen, waaronder het niet naleven van re-integratieverplichtingen en het structureel te laag in rekening brengen van behandelingen aan klanten. De kantonrechter heeft vastgesteld dat er geen dringende reden voor het ontslag op staande voet aanwezig was. De werknemer had weliswaar geweigerd om in gesprek te gaan met de werkgever, maar dit was niet onterecht gezien de omstandigheden van haar ziekte en de druk die de werkgever op haar uitoefende. Bovendien was er onvoldoende bewijs dat de werknemer haar klanten structureel te weinig had laten betalen. De kantonrechter heeft het ontslag vernietigd en de arbeidsovereenkomst ontbonden per de dag na de uitspraak, omdat de arbeidsverhouding ernstig verstoord was geraakt. Daarnaast is de werkgever veroordeeld tot betaling van het achterstallige loon, de wettelijke transitievergoeding en het verstrekken van loonspecificaties en jaaropgaves. De proceskosten zijn voor rekening van de werkgever.