ECLI:NL:RBZWB:2025:8722

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
14 oktober 2025
Publicatiedatum
9 december 2025
Zaaknummer
C/02/439480 / JE RK 25-1612
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Verschoor-Bergsma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 lid 1 BWArt. 1:260 BWArt. 1:265b lid 1 BWArt. 1:265c lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige

De zaak betreft een verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, geboren in 2017, die sinds oktober 2023 onder toezicht staat en in een netwerkpleeggezin verblijft. De moeder is belast met het ouderlijk gezag, maar kan momenteel niet zelfstandig zorgen voor de minderjarige.

Tijdens de zitting werd duidelijk dat de minderjarige nog steeds bedreigd wordt in haar ontwikkeling door spanningen en geweldsincidenten in de thuissituatie. De omgang tussen moeder en kind is beperkt tot begeleid contact van twee uur per week vanwege signalen van onveiligheid. De moeder staat open voor individuele hulpverlening, die binnenkort zal starten. De pleegouders bieden stabiliteit en emotionele veiligheid.

De kinderrechter oordeelt dat de wettelijke vereisten voor verlenging zijn vervuld en dat de uithuisplaatsing noodzakelijk blijft in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige. De moeder dient de plaatsing bij de pleegouders te accepteren. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de mogelijkheid tot hoger beroep wordt vermeld.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige worden verlengd voor de duur van een jaar.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/439480 / JE RK 25-1612
Datum uitspraak: 14 oktober 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING & RECLASSERING,
gevestigd te Eindhoven,
hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedag] 2017 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats 1] ,
advocaat mr. J.L.J. de Vos uit Goes,
FAMILIE [pleegouders] ,
hierna te noemen: de pleegouders,
wonende in [plaats 2] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 5 september 2025, ontvangen op 5 september 2025;
  • de brief van de pleegmoeder, overgelegd tijdens de zitting op 14 oktober 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 14 oktober 2025. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder met haar advocaat;
  • de pleegmoeder;
- een vertegenwoordiger van de GI;
- een vertegenwoordiger van de Raad.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 17 oktober 2023
[minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 17 oktober 2023 en tot
17 oktober 2024. Tevens is bij dezelfde beschikking een machtiging verleend [minderjarige]
gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg met ingang
van 17 oktober 2023 en tot 17 april 2024.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 27 maart 2024 de
machtiging verlengd [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening
voor pleegzorg met ingang van 17 april 2024 en tot 17 oktober 2024.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 9 oktober 2024 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd met ingang van 17 oktober 2024 en tot 17 oktober 2025. Ook is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd met ingang van 17 oktober 2024 en tot 17 april 2025. Het resterende deel van het verzoek is aangehouden.
2.5.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 2 april 2025 de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd met ingang van 17 april 2025 en tot 17 oktober 2025.
2.6.
[minderjarige] verblijft op grond van de voorgenoemde machtiging in een netwerkpleeggezin (bij grootouders moederszijde).

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De GI handhaaft het verzoek en verwijst voor de onderbouwing daarvan naar de overgelegde stukken. In de afgelopen periode is er ingezet op een onderzoek naar de moeder en haar systeem. Gekeken is wat verder nodig is voor [minderjarige] . Uiteindelijk is het perspectiefbesluit genomen. De moeder is niet in staat om zelfstandig de verantwoordelijkheid te kunnen dragen voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . Dit is middels een brief aan de moeder kenbaar gemaakt. Moeder kan niet accepteren dat [minderjarige] niet terug naar huis mag, maar ondanks dat geeft de moeder aan dat ze ook weet dat het beter is. Verder is de omgang tussen [minderjarige] en de moeder gewijzigd naar wekelijks een contactmoment onder begeleiding voor de duur van twee uur. Dit is aangepast na signalen van onveiligheid in de opvoedsituatie van de moeder en naar aanleiding van diverse incidenten tussen de moeder en haar partner. [minderjarige] ervaart door de wijziging meer rust. Verder is Expertise in Ervaren benaderd om hulpverlening voor [minderjarige] in te zetten. Zij staat hiervoor op de wachtlijst. De komende periode is het van belang dat er wordt gekeken naar welke rol de moeder kan spelen in het leven van [minderjarige] , ondanks dat [minderjarige] niet meer thuis woont. Hiervoor is een goede samenwerking nodig zodat er gezamenlijk besluiten kunnen worden gemaakt en zodat er rust voor [minderjarige] ontstaat.
4.2.
De advocaat van de moeder refereert zich aan het oordeel van de kinderrechter. In deze situatie is een ondertoezichtstelling nog steeds noodzakelijk en kan [minderjarige] op dit moment niet naar huis. De moeder geeft aan dat zij het niet eens is met het perspectiefbesluit. De moeder wil het liefst dat [minderjarige] thuis komt wonen en dat zal nooit veranderen. Hoewel de moeder de zorgen van de GI begrijpt, zou zij het liefst zien dat de omgangsregeling weer wordt zoals voorheen. [minderjarige] krijgt wisselende signalen, doet zorgelijke uitspraken (onder andere dat zij geen ouders heeft) en weet niet waar zij aan toe is. De moeder ziet dat [minderjarige] nog steeds kampt met een loyaliteitsconflict. Dit maakt de moeder erg verdrietig. Daarnaast is er ook nog geen therapie voor [minderjarige] geregeld, terwijl zij dit echt nodig heeft. De moeder vindt het lastig dat [minderjarige] benoemt dat zij nooit meer naar huis mag komen. De moeder weet niet goed hoe zij op dergelijke uitspraken moet reageren en wil hiervoor graag hulp. Dit laat zien dat de moeder stappen wil maken. Ook vindt de moeder het lastig dat nu haar ouders voor [minderjarige] zorgen, zij geen gezin meer heeft waar zij spontaan binnen kan lopen. Dit doet de moeder veel verdriet en zij ervaart hierdoor onmacht. Verder geeft de moeder aan dat haar partner voorlopig in zijn eigen huis verblijft. Zij zien elkaar twee of drie dagen in de week, maar niet als [minderjarige] er is. De omgangsmomenten met [minderjarige] verlopen liefdevol. De individuele hulpverlening voor de moeder is nog niet gestart. Haar omgangsbegeleider gaat de moeder aanmelden bij [hulpverlening] . Dit is nog de enige optie aangezien Mentaal Beter en Emergis niet kunnen starten vanwege de complexe problematiek van de moeder. De moeder is blij dat de hulp nu opgestart kan worden. Tot slot ontvangt de moeder hulp vanuit [ggz-aanbieder] . [ggz-aanbieder] heeft de moeder onder andere geholpen met het vinden van een baan.
4.3.
De pleegmoeder heeft tijdens de zitting aangegeven dat [minderjarige] rust ervaart nadat de omgangsregeling is gewijzigd. Ze werd open in haar communicatie en de pleegouders merkten geen angst of twijfel meer in wat ze wel en niet kon zeggen of doen. Het lukt [minderjarige] steeds meer om haar emoties te tonen en het lijkt alsof er meer ruimte in haar hoofd is ontstaan op emotioneel vlak. Verder wordt [minderjarige] steeds ouder en krijgt zij steeds meer vrijheden. Ze zoekt wat meer de grenzen op wat past bij haar leeftijd, maar ze is hier redelijk goed in te sturen en accepteert dan ook de uitleg. [minderjarige] vindt het leuk om herinneringen op te halen over wat haar moeder en oom altijd deden als opgroeiend kind. Op die manier proberen de pleegouders de moeder zo veel mogelijk te betrekken in het leven van [minderjarige] . De pleegouders merken dat [minderjarige] vragen heeft over de ingrijpende gebeurtenissen uit haar leven en haar situatie nu. [minderjarige] heeft behoefte aan een duidelijk (levens)verhaal, wat wordt ondersteund door alle volwassenen om haar heen. [minderjarige] heeft last van een loyaliteitsconflict, haalt veel informatie door elkaar en maakt hier haar eigen verhaal van. Het zou dan ook fijn zijn als [minderjarige] professionele hulp krijgt. Wel ziet [minderjarige] elke maandag haar buddyhond. Dit vindt zij erg prettig. Verder licht de pleegmoeder toe dat [ggz-aanbieder] betrokken is, maar dat zij de afgelopen tijd geen ZTO hebben gehad door de vakanties en ziektes. Hierdoor zijn de bezoeken nog niet geëvalueerd. Tot slot zal het voor [minderjarige] fijn zijn als de moeder het goed vindt dat zij bij haar opa en oma woont. Dat zal haar rust geven.
4.4.
De Raad adviseert in het kader van de toetsing van de maatregelen om de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing te verlengen. De plaatsing van [minderjarige] bij haar pleegouders moet gewaarborgd blijven. Er is sprake van een complexe situatie door de onderlinge verbanden en [minderjarige] die er tussen zit. De Raad vindt het zorgelijk dat [minderjarige] achteruitgaat qua draaglast. Hier moet aandacht aan besteed worden door middel van individuele hulpverlening. De moeder geeft duidelijk aan dat zij het niet eens is met de plaatsing van [minderjarige] bij haar ouders terwijl dat de plek is waar zij krijgt wat zij nodig heeft. Het zou fijn en belangrijk voor [minderjarige] zijn als moeder emotionele toestemming geeft. Als er hierin geen verandering komt, moet er op een gegeven moment een onderzoek naar een gezagsbeëindigende maatregel (hierna: GBM) plaatsvinden.

5.De beoordeling

Wettelijk kader
5.1.
Op grond van artikel 1:260 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond als bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW Pro is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
5.2.
Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond als bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
Inhoudelijke beoordeling
5.3.
Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke vereisten zoals hierboven vermeld. De kinderrechter zal derhalve het – onweersproken - verzoek van de GI toewijzen en de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengen voor de duur van een jaar, met ingang van 17 oktober 2025 en tot 17 oktober 2026. De kinderrechter licht dit als volgt toe.
5.4.
Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling is gebleken dat [minderjarige] nog steeds in haar ontwikkeling wordt bedreigd. De zorgen zoals die staan beschreven in de beschikking van 2 april 2025 zijn nog onverminderd aanwezig. [minderjarige] is in haar jonge leven veelvuldig getuige geweest van spanningen, ruzies en geweldsincidenten en dit lijkt nog steeds te spelen. [minderjarige] heeft aangegeven dat haar hoofd vol zit en dit zorgt regelmatig voor boos gedrag. De omgang tussen de moeder en [minderjarige] is aangepast na signalen van onveiligheid in de opvoedsituatie van de moeder en naar aanleiding van een tweemaal incidenten die zich hebben afgespeeld tussen de moeder en haar partner. Er is momenteel sprake van een wekelijks contactmoment onder begeleiding voor de duur van twee uur. De komende periode moet verder gekeken worden hoe dit contact verder vormgegeven moet worden en of dit op termijn uitgebreid kan worden. De kinderrechter maakt zich daarnaast zorgen over de persoonlijke problematiek van de moeder. Uit het onderzoek van Groei Jeugdhulp komt naar voren dat de moeder verschillende ingrijpende dingen heeft meegemaakt waardoor de moeder moeite heeft met emotieregulatie en minder goed kan omgaan met stress en spanningen. De kinderrechter vindt het positief dat de moeder open staat voor individuele behandeling en hoopt dat zij hiermee snel kan starten, zodat de moeder handvaten kan krijgen hoe zij moet omgaan met de situatie. Ook is het belangrijk dat de individuele hulpverlening voor [minderjarige] kan starten zodat zij kan werken aan haar weerbaarheid.
5.5.
Voorts is de kinderrechter van oordeel dat de uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van haar verzorging en opvoeding. [minderjarige] verblijft ongeveer twee jaar bij haar pleegouders en dit verloopt goed. De pleegouders bieden [minderjarige] de nodige stabiliteit, rust en emotionele veiligheid. De GI heeft het perspectief van [minderjarige] bepaald en duidelijk is dat [minderjarige] niet bij haar moeder kan wonen. Hoewel de moeder van mening is dat er nog onvoldoende is geprobeerd om [minderjarige] weer thuis te plaatsen is de kinderrechter van oordeel dat van (gedeeltelijke) thuisplaatsing geen sprake kan zijn, zeker nu er nog moet worden gestart met hulpverlening en eventuele aanvullende diagnostiek voor moeder. Maar ook nu het erop lijkt dat de draagkracht en flexibiliteit van [minderjarige] aan het afnemen zijn. Ondanks dat [minderjarige] niet meer thuis woont, is het van belang dat er gekeken wordt welke rol de moeder kan spelen in het leven van [minderjarige] . Het is daarbij voor [minderjarige] belangrijk dat de moeder de plaatsing bij de pleegouders accepteert en dit ook naar [minderjarige] uitdraagt. De komende periode moet er gekeken worden of de plaatsing van [minderjarige] in een vrijwillig kader kan worden gecontinueerd of dat onderzoek naar een meer ingrijpendere maatregel (GBM) nodig is.
5.6.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
5.7.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 17 oktober 2025 en tot 17 oktober 2026;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 17 oktober 2025 en tot 17 oktober 2026;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2025 door mr. Verschoor-Bergsma, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Verplanke als griffier en op schrift gesteld op 22 oktober 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.