In deze zaak heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant op 3 december 2025 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke procedure over de afwijzing van een Wajong-uitkering aan eiser. Eiser had beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV van 19 september 2024, waarin zijn aanvraag voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) was afgewezen. De rechtbank heeft het beroep behandeld op 12 maart 2025, waarbij eiser, zijn moeder en de gemachtigde van het UWV aanwezig waren. In een tussenuitspraak van 1 mei 2025 heeft de rechtbank het UWV de kans gegeven om een motiveringsgebrek te herstellen. Het UWV heeft daarop een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep overgelegd, maar de rechtbank oordeelt dat het UWV hierin niet voldoende heeft aangetoond dat eiser in de relevante periode over arbeidsvermogen beschikte.
De rechtbank concludeert dat het UWV het geconstateerde gebrek niet heeft hersteld. De verzekeringsarts heeft niet adequaat ingegaan op de ernst van de psychische klachten van eiser, die door zijn behandelaars als fors zijn gekwalificeerd. De rechtbank stelt vast dat eiser in de periode van 9 februari 2021 tot en met 23 augustus 2022 niet beschikte over arbeidsvermogen. Hoewel het UWV terecht heeft gesteld dat het ontbreken van arbeidsvermogen niet duurzaam is, blijft de afwijzing van de Wajong-uitkering in stand. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit, maar laat de rechtsgevolgen daarvan in stand. Eiser krijgt het griffierecht vergoed en het UWV wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser.