ECLI:NL:RBZWB:2025:8581

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
5 december 2025
Publicatiedatum
5 december 2025
Zaaknummer
25/2605, 25/2608, 25/2609 en 25/2611 tot en met 25/2617
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 6:7 AwbArt. 6:9 AwbArt. 6:11 AwbArt. 26c Algemene wet inzake rijksbelastingen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid van beroepen wegens te late indiening in belastingzaken over 2007-2017

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 5 december 2025 uitspraak gedaan over meerdere beroepen van belanghebbende tegen uitspraken op bezwaar van de inspecteur van de Belastingdienst betreffende navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over de jaren 2007 tot en met 2017.

De rechtbank oordeelde dat de beroepen kennelijk niet-ontvankelijk zijn omdat zij te laat zijn ingediend. De beroepstermijn van zes weken begon op 29 augustus 2024, de dag na de dagtekening van de uitspraken op bezwaar van 28 augustus 2024. Belanghebbende heeft de beroepschriften pas op 22 oktober 2024 bij de rechtbank ingediend, ruim na het verstrijken van de termijn op 9 oktober 2024.

Belanghebbende stelde dat de uitspraken op bezwaar naar een onjuist adres waren gestuurd, waardoor hij de stukken later ontving en de beroepschriften te laat indiende. De rechtbank stelde echter vast dat het adres dat de inspecteur gebruikte, overeenkwam met het door de gemachtigde van belanghebbende opgegeven adres, en dat het aan belanghebbende zelf was om een adreswijziging door te geven.

De rechtbank vond geen reden om het te laat indienen te verontschuldigen en verklaarde de beroepen daarom niet-ontvankelijk. Dit betekent dat de bestreden besluiten in stand blijven en de rechtbank niet inhoudelijk op de beroepen is ingegaan. Er is geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De beroepen zijn niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de beroepstermijn zonder verschoonbare reden.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 25/2605, 25/2608, 25/2609 en 25/2611 tot en met 25/2617

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 december 2025 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. H.J. Strating),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over de beroepen van belanghebbende tegen de bestreden uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 28 augustus 2024. De beroepen zien op de (navorderings)aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over de jaren 2007 tot en met 2017.
1.1.
Omdat de beroepen kennelijk niet-ontvankelijk zijn, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank komt tot het oordeel dat de beroepen kennelijk niet-ontvankelijk zijn omdat ze te laat zijn ingediend en het te laat indienen niet verschoonbaar is. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Toetsingskader
3. Voor het indienen van een beroepschrift geldt een termijn van zes weken. [1] Deze termijn begint op de dag na de dagtekening van de uitspraak op bezwaar. [2] Maar als de dagtekening een datum is vóór de datum waarop de uitspraak op bezwaar is verzonden, begint deze termijn op de dag na de dag van verzending.
Een beroepschrift is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen. [3]
3.1.
Als iemand een beroepschrift te laat indient, verklaart de rechtbank de beroepen niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet tijdig indienen van het beroepschrift verontschuldigbaar is. Dan laat de rechtbank niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege. [4]
Is het beroep te laat ingediend?
4. Vast staat dat de dagtekening van de uitspraak op bezwaar 28 augustus 2024 is. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat de verzending ervan later dan die datum heeft plaatsgevonden.
4.1.
Belanghebbende voert aan dat de uitspraak op bezwaar naar [adres 1] is gestuurd in plaats van [adres 2] en dus onjuist is geadresseerd. [adres 1] lijkt volgens hem al geruime tijd niet in gebruik te zijn en op onregelmatige tijden te worden bezocht voor het ophalen van de post. Als gevolg daarvan heeft hij de uitspraak op bezwaar pas later ontvangen en is het beroepschrift later ingediend.
4.2.
Indien het aan de inspecteur te wijten is dat een onjuist adres is gehanteerd, dan is de uitspraak op bezwaar niet rechtsgeldig bekend gemaakt en begint de beroepstermijn pas te lopen bij de latere ontvangst van de uitspraak op bezwaar. Gelet op de stukken is er echter geen aanleiding om aan te nemen dat er een verkeerd adres is gehanteerd door de inspecteur. De gemachtigde heeft het adres [adres 1] telkens vermeld in de e-mailondertekening, ook nog in zijn e-mail van 26 augustus 2024, twee dagen voor de uitspraak op bezwaar. De inspecteur heeft er verder op gewezen dat dit adres ook is gekoppeld aan het Beconnummer van gemachtigde. De inspecteur heeft daarom terecht de uitspraken op bezwaar naar het adres [adres 1] gestuurd. Indien dit niet het juiste adres was, dan nog is de gemachtigde van belanghebbende verantwoordelijk om een adreswijziging door te geven, dus als er al sprake is van een onjuiste adressering komt dit voor rekening en risico van belanghebbende zelf.
4.3.
De beroepstermijn is dus aangevangen op 29 augustus 2024 en de termijn voor het indienen van een beroepschrift eindigde dus op 9 oktober 2024. Belanghebbende heeft de beroepschriften met PostNL verstuurd. De beroepen zijn bij de rechtbank ontvangen op 22 oktober 2024. De beroepsschriften zijn dus na afloop van de beroepstermijn ter post aangeboden. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat ze eerder op de post zijn gedaan. De beroepschriften zijn dus niet tijdig ingediend.
Is het te laat indienen verontschuldigbaar?
5. De rechtbank is niet gebleken van omstandigheden waaruit blijkt dat het doorgeven van zijn adreswijziging niet redelijkerwijs van (de gemachtigde van) belanghebbende kon worden verwacht of dat sprake is van geringe verwijtbaarheid aan de zijde van belanghebbende. Naar het oordeel van de rechtbank is de termijnoverschrijding daarom niet verschoonbaar. Het te laat indienen is dus niet verontschuldigbaar.

Conclusie en gevolgen

1. De beroepen zijn daarom niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank de beroepen niet inhoudelijk beoordeelt en dat de bestreden besluiten in stand blijven. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van D. Weijtens, griffier, op 5 december 2025 en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst.

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 6:7 van Pro de Awb.
2.Dit volgt uit artikel 26c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
3.Dit volgt uit artikel 6:9, eerste lid, van de Awb.
4.Dit volgt uit artikel 6:11 van Pro de Awb.