ECLI:NL:RBZWB:2025:8486

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
2 december 2025
Publicatiedatum
2 december 2025
Zaaknummer
BRE 24/6751 V
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Verzet
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijk verklaring van beroep inzake Woo-verzoek

In deze uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 2 december 2025, wordt het verzet van de opposant tegen een eerdere uitspraak van 10 april 2025 behandeld. De rechtbank had in die eerdere uitspraak het beroep van de opposant niet-ontvankelijk verklaard, omdat de staatssecretaris tijdig had beslist op het Woo-verzoek van de opposant. De opposant had een verzoek ingediend op 9 augustus 2024, maar de staatssecretaris had pas op 17 september 2024 beslist, wat volgens de rechtbank binnen de wettelijke termijn viel. De opposant voerde aan dat de staatssecretaris een fout had gemaakt in zijn besluit, waardoor hij in verwarring was geraakt over de inhoud van het besluit. De rechtbank oordeelt echter dat de prematuur ingediende ingebrekestelling van de opposant de reden was voor de niet-ontvankelijkheid van het beroep. De rechtbank concludeert dat het verzet ongegrond is en dat de eerdere uitspraak in stand blijft. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd, omdat de opposant niet benadeeld is door de verwarring die is ontstaan.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/6751 V

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 december 2025 op het verzet van

[opposant], uit [plaats] , opposant [1] ,
tegen de uitspraak van de rechtbank van 10 april 2025 in het geding tussen
opposant
en

de Staatssecretaris van Financiën.

Inleiding

1. Deze uitspraak op het verzet van opposant gaat over de uitspraak van de rechtbank van 10 april 2025 waarin de rechtbank het beroep van opposant niet-ontvankelijk heeft verklaard.
1.1.
De rechtbank heeft het verzet op 24 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft opposant deelgenomen. De staatssecretaris is niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 10 april 2025 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel [2] is dat het beroep niet-ontvankelijk is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.
3. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het beroep van opposant
4. Het beroep van opposant van 25 september 2024 ging over het niet op tijd beslissen op zijn verzoek op grond van de Wet open overheid (Woo-verzoek) van 9 augustus 2024. Dit verzoek ziet op de controle aangifte boekenonderzoek van 2017. Op 17 september 2024 heeft de staatssecretaris beslist op het Woo-verzoek van opposant. In dit besluit staat echter het jaar 2013 genoemd. De staatssecretaris heeft dit met de brief van 17 december 2024 gerectificeerd.

De uitspraak van 10 april 2025

5. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Dat mag de rechtbank als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk niet-ontvankelijk geacht. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat de staatssecretaris binnen twee weken na de ontvangst van de ingebrekestelling van 9 september 2024 alsnog heeft beslist op 17 september 2024.

Is het beroep van opposant ontvankelijk?

6. Opposant voert aan dat zijn beroep wel ontvankelijk geacht had moeten worden, omdat het hem niet aangerekend kan worden dat de staatssecretaris in zijn besluit van 17 september 2024 een tikfout heeft gemaakt, waardoor opposant dacht dat het besluit zag op zijn Woo-verzoek met betrekking tot de controle boekenaangifte van 2013 in plaats van 2017.
6.1.
De verzetrechter oordeelt dat de rechtbank het beroep van opposant terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard en vult de motivering van dat oordeel aan. De rechtbank overweegt hierbij als volgt.
6.2.
De staatssecretaris moet uiterlijk binnen vier weken gerekend vanaf de dag na die waarop het verzoek is ontvangen, beslissen op het Woo-verzoek. [3] De staatssecretaris heeft het Woo-verzoek van opposant op 19 augustus 2024 ontvangen. Opposant heeft geen bewijs aangeleverd waaruit blijkt dat zijn Woo-verzoek van 9 augustus 2024 eerder is ontvangen door de staatssecretaris. De Track & Trace die opposant heeft aangeleverd, kan namelijk niet (meer) uitgelezen worden. Dit betekent dat de staatssecretaris uiterlijk op 16 september 2024 had moeten beslissen. De ingebrekestelling van 9 september 2024 is dan ook prematuur, wat betekent dat opposant deze te vroeg heeft verzonden. Reeds om die reden had het beroep tegen het niet op tijd beslissen kennelijk niet-ontvankelijk verklaard kunnen worden. Deze nadere motivering verandert de uitkomst niet, aangezien de rechtbank in de uitspraak van 10 april 2025 het beroep (eveneens, maar dan om een andere reden) niet-ontvankelijk heeft verklaard.
6.3.
Nadat in de beroepsprocedure bekend was geworden dat er al een besluit was genomen, heeft de rechtbank in een brief van 22 november 2024 aan opposant gevraagd of hij het eens was met die beslissing. Dat was bedoeld om te controleren of het beroep mede betrekking had op dat besluit. [4] Aangezien pas na de rectificatie van 17 december 2024 voor opposant duidelijk hoefde te zijn dat dit besluit zag op het jaar 2017, zou het de duidelijkheid ten goede zijn gekomen als er nogmaals was gecontroleerd op de toepassing van artikel 6:20, derde lid, van de Awb. Opposant is daardoor echter niet in zijn belangen geschaad, aangezien hem in de rectificatie – gelet op de ontstane verwarring – een nieuwe bezwaartermijn is gegund én hij ter zitting heeft verklaard dat hij van die mogelijkheid gebruik heeft gemaakt, zodat daarmee hetzelfde is bereikt als wanneer de rechtbank de beslissing ten aanzien van het alsnog genomen besluit had verwezen naar de staatssecretaris voor de bezwaarprocedure. Het verzet van opposant slaagt dan ook niet.

Conclusie en gevolgen

7. De grond van het verzet slaagt niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 10 april 2025. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding, aangezien het beroep tegen het niet op tijd beslissen niet-ontvankelijk is als gevolg van de premature ingebrekestelling en opposant in zoverre dus niet benadeeld is door de verwarring die is ontstaan als gevolg van de typo in het besluit van 17 september 2024.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Ponds, rechter, in aanwezigheid van mr. M.R. Jouvenaar, griffier, op 2 december 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen in de bodemzaak op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Met opposant wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift.
2.Dit volgt uit artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.Dit staat in artikel 4.4, eerste lid, van de Woo.
4.Op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Awb.