ECLI:NL:RBZWB:2025:8440

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
27 november 2025
Publicatiedatum
1 december 2025
Zaaknummer
24/8009
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tijdelijke omgevingsvergunning voor proeflokaal met ondergeschikte horeca en verblijfsrecreatie in tipitenten

Deze uitspraak betreft de beslissing op het bezwaar van eiseres tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg, waarin een tijdelijke omgevingsvergunning is verleend voor het gebruik van gronden in strijd met het bestemmingsplan. De vergunning is verleend voor een proeflokaal met ondergeschikte horeca en verblijfsrecreatie in tipitenten. Eiseres is het niet eens met deze vergunning en heeft bezwaar aangetekend. De rechtbank oordeelt dat het college eiseres ten onrechte als belanghebbende heeft aangemerkt, omdat niet is gebleken dat zij gevolgen van enige betekenis ondervindt van het project. Hierdoor is het beroep gegrond verklaard, maar heeft dit geen gevolgen voor de verleende omgevingsvergunning. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover het bezwaar van eiseres daarin ontvankelijk is geacht en verklaart het bezwaar niet-ontvankelijk. Eiseres heeft recht op vergoeding van het griffierecht, maar niet op proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/8009

uitspraak van de meervoudige kamer van 27 november 2025 in de zaak tussen

mr. [eiseres] , uit [plaats 1] , eiseres

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg, het college.
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [vergunninghoudster] uit [plaats 2] (vergunninghoudster).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de beslissing op het bezwaar van eiseres van 9 oktober 2024 (bestreden besluit). Het bezwaar was gericht tegen het besluit van 12 maart 2024 waarin het college een tijdelijke omgevingsvergunning heeft verleend voor het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan. De omgevingsvergunning is verleend voor het tijdelijk gebruiken van een bestaande schuur voor een proeflokaal met ondergeschikte horeca, gecombineerd met verblijfsrecreatie in tien tipitenten met in bestaande bebouwing een sanitair- en opslaggebouw. De projectlocatie is het perceel aan [adres 1], in [plaats 1] . Eiseres is het niet eens met de omgevingsvergunning. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college eiseres ten onrechte heeft aangemerkt als belanghebbende omdat niet is gebleken dat zij gevolgen van enige betekenis ondervindt. Het college heeft haar bezwaar daarom ten onrechte ontvankelijk verklaard. Dit betekent dat het beroep gegrond is, maar dat heeft geen gevolgen voor de verleende omgevingsvergunning. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Vergunninghoudster heeft op 14 november 2023 een aanvraag ingediend. Het college heeft de gevraagde omgevingsvergunning met het besluit van 12 maart 2024 verleend. Met het bestreden besluit van 9 oktober 2024 heeft het college het bezwaar van eiseres, en de bezwaren van andere bezwaarmakers, ongegrond verklaard en de verleende omgevingsvergunning in stand gelaten.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Vergunninghouder heeft ook schriftelijk gereageerd.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 6 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en namens het college mrs. B. van den Broek en [naam 1]. Vergunninghoudster is ook verschenen met haar vader [naam 2] .

Beoordeling door de rechtbank

De feiten
3. Op 14 november 2023 heeft vergunninghoudster de aanvraag ingediend voor een proeflokaal met ondergeschikte horeca, gecombineerd met verblijfsrecreatie in tien tipitenten. Dit [project] is onderdeel van een bredere gebiedsontwikkeling van het [landgoed]. Een nieuw omgevingsplan wordt opgesteld voor deze ontwikkeling. Vooruitlopend op dit omgevingsplan is door vergunninghoudster een tijdelijke omgevingsvergunning aangevraagd, voor het onderdeel [project].
3.1.
Het college heeft deze tijdelijke omgevingsvergunning verleend voor de duur van tien jaar na het onherroepelijk worden van de vergunning. Eiseres en andere omwonenden hebben tegen deze omgevingsvergunning bezwaarschriften ingediend. Het college heeft alle bezwaren ongegrond verklaard. Alleen eiseres heeft een beroepschrift ingediend.
Het bestreden besluit
4. Het college heeft het bezwaar ongegrond verklaard en de tijdelijke omgevingsvergunning in stand gelaten omdat het project het woon- en leefklimaat van omwonenden niet onevenredig beïnvloedt en dus voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Het college heeft de duur van de omgevingsvergunning ambtshalve gewijzigd en heeft bepaald dat deze aanvangt vanaf de datum van verlening van de omgevingsvergunning. Het college heeft de algemene belangen en het belang van vergunninghouder zwaarder laten wegen dan het belang van eiseres.
Toetsingskader
5. Het bestreden besluit is tot stand gekomen op basis van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet (Ow) en de Invoeringswet Omgevingswet (Iw Ow) in werking getreden. Als voor de inwerkingtreding van de Ow een aanvraag om een besluit is ingediend, dan blijft op grond van artikel 4.3 van de Iw Ow het oude recht van toepassing, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wabo. De aanvraag is ingediend op 14 november 2023. Dit betekent dat het oude recht van toepassing is.
Wat heeft eiseres aangevoerd?
6. Eiseres stelt ten eerste dat geen sprake (meer) is van een agrarisch bedrijf op het perceel omdat een agrarische hoofdactiviteit ontbreekt. In dit geval is namelijk geen sprake van een volwaardig agrarisch bedrijf omdat uit de prognosecijfers blijkt dat het grootste deel van de inkomsten zal volgen uit horeca, de landwinkel en de tipitenten. Vergunninghoudster zou niet kunnen leven van de agrarische activiteit. In het verlengde hiervan heeft eiseres aangevoerd dat het college een agrarische adviescommissie had moeten inschakelen om te beoordelen of sprake is van een agrarisch bedrijf. Door het ontbreken van dit advies en omdat het woon- en leefklimaat wordt aangetast, is ook geen sprake van een goede ruimtelijke ordening. Ten slotte stelt eiseres dat geen tijdelijke omgevingsvergunning mocht worden verleend omdat in dit geval de wens bestaat om de vergunde activiteiten langer voort te zetten dan 10 jaar.
De ontvankelijkheid van het bezwaar
7. De rechtbank oordeelt dat het college het bezwaar van eiseres ten onrechte ontvankelijk heeft verklaard. Het college heeft eiseres namelijk ten onrechte als belanghebbende aangemerkt. In artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Alleen wie een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang heeft dat rechtstreeks betrokken is bij het bestreden besluit, is belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) is iemand in beginsel belanghebbende bij een omgevingsvergunning als hij rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van dat besluit. Als correctie op dit uitgangspunt wordt het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ gehanteerd. [1] Zonder gevolgen van enige betekenis heeft iemand geen persoonlijk belang bij het besluit. Men onderscheidt zich dan onvoldoende van anderen. Om te bepalen of er gevolgen van enige betekenis voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van iemand zijn, kijkt de ABRvS naar de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (onder andere geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico) van de activiteit die het besluit toestaat.
7.1.
De rechtbank stelt vast dat het perceel van eiseres niet aangrenzend is aan het perceel van vergunninghoudster en dat eiseres geen zicht heeft op de projectlocatie vanuit haar woning en vanaf haar perceel. Verder is niet gebleken dat eiseres gevolgen van enige betekenis zal ondervinden van het project. Tijdens de zitting heeft eiseres verklaard dat ze geen last heeft van de toename aan verkeersbewegingen als gevolg van het project. De rechtbank heeft geen reden om hier anders over te denken. Eiseres woont immers aan [adres 2] en uit het dossier blijkt dat de capaciteit van de [straat van adres 2] met circa 17.000 motorvoertuigen per etmaal vele malen hoger ligt dan de maximale verkeersgeneratie als gevolg van het project. Eiseres heeft aangevoerd te vrezen voor geluidsoverlast, wat haar belanghebbend zou maken. Zij heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat zij gevolgen van enige betekenis zal ondervinden, gelet op de aard van de vergunde nevenactiviteiten in combinatie met de afstand tussen de percelen van eiseres en vergunninghoudster. Uit de vergunning volgt namelijk dat sprake moet zijn van ondergeschikte horeca waarbij wordt voldaan aan de randvoorwaarden zoals gesteld in paragraaf 3.3 van de ruimtelijke onderbouwing. In de ruimtelijke onderbouwing staat dat de horeca niet zelfstandig mag worden geëxploiteerd en dat de bijeenkomstfunctie met ondergeschikte horeca niet wordt gebruikt ten behoeve van feesten en partijen. Verder liggen tussen de percelen van eiseres en vergunninghoudster verschillende houtopstanden en twee (agrarische) percelen van anderen en is de afstand tussen de projectlocatie en het perceel van eiseres minstens 500 meter.
7.2.
Eiseres is dus geen belanghebbende bij de verleende omgevingsvergunning. Omdat het bezwaar van eiseres ten onrechte ontvankelijk is verklaard, zijn haar bezwaren ten onrechte inhoudelijk behandeld. Omdat zij geen belanghebbende is, komt de rechtbank niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van de beroepsgronden tegen de verwerping van de bezwaargronden van eiseres.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is gegrond omdat het bezwaar van eiseres ten onrechte ontvankelijk is verklaard. Eiseres is namelijk ten onrechte aangemerkt als belanghebbende. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit voor zover het bezwaar van eiseres daarin ontvankelijk is geacht. De rechtbank neemt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb nu zelf een beslissing en verklaart het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk.
8.1.
Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiseres vergoeden. Voor een vergoeding van proceskosten ziet de rechtbank geen aanleiding. Eiseres heeft ook geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 9 oktober 2024 voor zover het bezwaar van eiseres daarin ontvankelijk is geacht;
- verklaart het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde deel van het besluit;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 187,- aan eiseres moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Hindriks, voorzitter, en mr. T. Peters en mr. M.G.J. Maas-Cooymans, leden, in aanwezigheid van mr. T.A. de Kraker, griffier op 27 november 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Voetnoten

1.ABRvS 30 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4377, r.o. 7.