ECLI:NL:RBZWB:2025:844
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen vaststelling WOZ-waarde onroerende zaak met horeca
Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de vastgestelde WOZ-waarde van een onroerende zaak met horeca, gelegen aan een adres te Breda, met een waardepeildatum van 1 januari 2022. De heffingsambtenaar had de waarde vastgesteld op €857.000, welke ook leidde tot de aanslag onroerendezaakbelasting voor 2023.
Belanghebbende stelde dat de waarde maximaal €599.000 zou moeten zijn en voerde aan dat de heffingsambtenaar onvoldoende onderbouwing had gegeven, onder meer door het ontbreken van huurinformatie en een NEN-2580 rapportage. De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar voldoende aannemelijk had gemaakt dat de waarde niet te hoog was vastgesteld, met name door het overleggen van een taxatierapport en vergelijkbare verkopen nabij de waardepeildatum.
De rechtbank achtte de vergelijkbare objecten voldoende representatief en vond dat de heffingsambtenaar aan zijn bewijslast had voldaan. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard, waardoor de WOZ-waarde en de aanslag gehandhaafd blijven. Belanghebbende krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.
Uitkomst: De WOZ-waarde van €857.000 wordt gehandhaafd en het beroep is ongegrond verklaard.