Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.De procedure
2.De feiten
Partijen verplichten zich over elk kalenderjaar hetgeen van hun netto-inkomsten in de zin van artikel 5 lid Pro 2, waaronder tevens nog begrepen winst uit een zelfstandig uitgeoefend beroep of bedrijf onder aftrek van hetgeen daarvan is besteed voor de gemeenschappelijke huishouding, maar met bijtelling van de verschuldigde premies en koopsommen als bedoeld in artikel 7 voor Pro zover deze premies en koopsommen het inkomen verminderen, overblijft, onderling te verrekenen in die zin dat de ene partij een vordering krijgt op de andere partij ten bedrage van de helft van het aan diens zijde overblijvende als hiervoor bedoeld. Indien partijen over en weer een vordering op elkaar krijgen worden de vorderingen door een desbetreffende verklaring verrekend tot het bedrag van de kleinste vordering. Indien aan een partij langs andere weg iets ten goede komt of is gekomen van het overblijvende van het inkomen van de andere partij wordt zijn vordering dienovereenkomstig verminderd.
Geen verrekening heeft plaats:
over de tijd dat partijen anders dan in onderling overleg niet samenwonen
3.Het geschil
In conventie:
- de woning ten behoeve van de verkoop toegankelijk te maken en zich ten behoeve van die verkoop in schone, opgeruimde, verzorgde en representatieve staat te bevinden, een en ander volgens aanwijzing van de makelaar en geheel voor rekening van de vrouw;
- haar onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan toegang van potentiële kopers tot de woning en aangehorigheden als ook alle verkoopduidingen die op het erf en/of de woning en op de website door de makelaar zijn aangebracht ongewijzigd in stand te laten;
- de verdeling c.q. vermogensrechtelijke afwikkeling van de gevolgen van de verbreking van de samenleving van partijen vast te stellen, zulks met inachtneming van de wet en de (aanvullende) samenlevingsovereenkomst van partijen, en;
- de man te veroordelen om met een bedrag groot € 4.243,= bruto per maand bij te dragen in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw, zulks bij wijze van vooruitbetaling te voldoen voor de eerste dag van de maand die volgt op de datum van dit vonnis, voor de duur van twaalf jaren en jaarlijks te indexeren overeenkomstig het bepaalde in artikel 1:402a BW, dan wel een zodanige onderhoudsbijdrage te bepalen als de rechtbank juist acht.