ECLI:NL:RBZWB:2025:8360

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
14 november 2025
Publicatiedatum
27 november 2025
Zaaknummer
C/02/428849 / JE RK 24-2099
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Tempel
  • Sumner
  • Skrotzki
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 Rv
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verlenging ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing na gezagsbeëindiging moeder

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarigen, die sinds 2017 onder toezicht staan en in een pleegzorgvoorziening verblijven. De moeder was belast met het ouderlijk gezag.

De rechtbank heeft eerder de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing meerdere malen verlengd, laatstelijk tot 17 november 2025. Tijdens de zitting van 31 oktober 2025 zijn de partijen gehoord, waaronder de moeder, pleegmoeder, vertegenwoordigers van de GI en de Raad voor de Kinderbescherming.

Bij een gelijktijdige beschikking is het gezag van de moeder over de minderjarigen beëindigd en is de GI tot voogd benoemd. Hierdoor heeft de GI geen belang meer bij het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing.

De rechtbank wijst daarom het resterende verzoek van de GI af. Tegen deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch binnen drie maanden na dagtekening.

Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek tot verlenging van ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing af vanwege beëindiging van het ouderlijk gezag en benoeming van de GI tot voogd.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/428849 / JE RK 24-2099
Datum uitspraak: 14 november 2025
Nadere beschikking van de meervoudige kamer over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING,
gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI),
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2013 in [geboorteplaats],
hierna te noemen: [minderjarige 1],
[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2016 in [geboorteplaats], hierna te noemen: [minderjarige 2].
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats 1],
advocaat: mr. A.L. Witteveen uit Rotterdam,
[de pleegmoeder],
hierna te noemen: de pleegmoeder,
wonende in [plaats 2],
advocaat: mr. H. Plantenga uit Amsterdam.
Op grond van artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda,
hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.

1.Het nadere procesverloop

1.1.
Het nadere procesverloop blijkt uit de volgende stukken:
  • de in deze zaak gegeven beschikking van 16 september 2025, met alle daarin genoemde stukken;
  • de berichten van mr. Witteveen van 23 en 29 oktober 2025.
1.2.
Op 31 oktober 2025 heeft de meervoudige kamer van de rechtbank de behandeling van de zaak voortgezet tijdens de zitting met gesloten deuren. Bij die gelegenheid zijn verschenen en gehoord:
  • de moeder met haar advocaat;
  • de pleegmoeder met haar advocaat;
  • twee vertegenwoordigers van de GI;
  • een vertegenwoordigster van de Raad.
1.3.
Als toehoorder was de begeleidster van de moeder vanuit Amarant aanwezig. De rechtbank heeft haar, met instemming van aanwezigen, bijzondere toestemming verleend.
1.4.
Gelet op de nauwe samenhang tussen dit verzoek van de GI en het verzoek van de Raad in de zaak met kenmerk C/02/439269 / FA RK 25-4426, zijn deze zaken gelijktijdig mondeling behandeld. In beide zaken wordt bij aparte beschikkingen van heden beslist.
1.5.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken tijdens een zogenoemd kindgesprek of op een andere manier. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hiervan geen gebruik gemaakt.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2].
2.2.
In 2017 heeft de kinderrechter [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI en een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg. De ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg zijn sindsdien steeds verlengd.
2.3.
Bij beschikking van 9 januari 2025 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg verlengd met ingang van 17 januari 2025 tot 17 september 2025. Het resterende deel van het verzoek is aangehouden.
2.4.
Laatstelijk, bij beschikking van 16 september 2025, zijn de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg verlengd met ingang van 17 september 2025 tot 17 november 2025. Het resterende deel van het verzoek is aangehouden tot de zitting van 31 oktober 2025. De rechtbank heeft ter zitting op 31 oktober 2025 vastgesteld dat sprake is van een kennelijke verschrijving in het dictum van voornoemde beschikking. Uit voornoemde beschikking volgt dat de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorzien voor pleegzorg zijn verlengd met ingang van 17 september 2025 tot 17 november 2025 (en niet tot 31 oktober 2025, zoals per abuis in het dictum is opgenomen). Dit volgt ook uit overleg wat er met de (advocaten van) partijen is geweest over voortzetting op een nieuwe zittingsdatum.
2.5.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven op grond van voornoemde machtiging bij de pleegmoeder.
2.6.
Bij beschikking van heden, in de zaak met kenmerk C/02/439269 / FA RK 25-4426, heeft de meervoudige kamer van de rechtbank het gezag van de moeder over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] beëindigd en is de GI tot voogdes over haar benoemd.

3.De (resterende) verzoeken

3.1.
Thans ligt nog ter beoordeling voor het resterende verzoek van de GI om de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een
voorziening voor pleegzorg te verlengen tot 17 januari 2026.
3.2.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De nadere beoordeling

4.1.
De rechtbank overweegt dat bij beschikking van heden (in de zaak met kenmerk C/02/439269 / FA RK 25-4426) het gezag van de moeder over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is beëindigd. Daarnaast heeft de rechtbank de GI tot voogdes over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] benoemd. Die beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
4.2.
Het voorgaande betekent dat de GI geen belang meer heeft bij de onderhavige verzoeken.
4.3.
Dit leidt tot de volgende beslissing.

5.De beslissing

De kinderrechter:
5.1.
wijst de resterende verzoeken af.
Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 14 november 2025 door mr. Tempel, voorzitter, mr. Sumner en mr. Skrotzki, allen kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. Van der Linde als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.