In deze zaak heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant op 24 november 2025 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die beschuldigd werd van poging tot moord op haar echtgenoot. De verdachte, geboren in 1965, heeft op 25 januari 2025 in hun woning in [plaats] haar echtgenoot met een mes in de borst gestoken. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte met voorbedachten rade heeft gehandeld, aangezien zij zich gedurende enige tijd had kunnen beraden op haar daad. De officier van justitie eiste een gevangenisstraf van 8 jaar, maar de rechtbank legde een gevangenisstraf van 7 jaar op, rekening houdend met de licht verminderde toerekeningsvatbaarheid van de verdachte. De rechtbank oordeelde dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een van de ernstigste delicten uit het Wetboek van Strafrecht, namelijk poging tot moord. De rechtbank heeft ook een schadevergoeding van € 5.540,67 toegewezen aan de benadeelde partij, de echtgenoot, voor de geleden schade door het geweld. De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot het betalen van deze schadevergoeding, vermeerderd met wettelijke rente, en heeft het mes dat gebruikt is bij de daad verbeurd verklaard.